Pedagogische Studiën — Jrg. 98 (april 2021) nr. 1

01 Leraren doen onderzoek naar het schoolvak Nederlands – Inleiding op het themanummer
T. Janssen, G. Rijlaarsdam, M. Braaksma
Tien jaar geleden deden leraren zelden vakdidactisch onderzoek na hun opleiding. Sindsdien zijn er verschillende subsidies beschikbaar gekomen die leraren de mogelijkheid bieden om, naast hun baan in het onderwijs, (promotie)onderzoek te doen, zoals de NWO Promotiebeurs voor leraren (sinds eind 2010), het DUDOC-ALFA-programma vanwege duurzame geesteswetenschappen (sinds medio 2014) en de subsidies voor praktijkgericht onderzoek van het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO). Er zijn nu ook schoolbesturen die docenten vrijstellen voor promotieonderzoek. Alom lijkt er sprake van een zekere academiseringsbehoefte van scholen (bijvoorbeeld zichtbaar via samenwerkingsverbanden tusssen scholen en lerarenopleidingen in academische scholen en ateliers).

06 Theorie en praktijk van historisch literatuuronderwijs: een vignettenonderzoek
R. van Keulen
Dit artikel is onderdeel van een onderzoek dat zich richt op het ontwerpen van een gamificationdidactiek voor historisch literatuuronderwijs in de bovenbouw van het vwo. Het gaat in op de vraag in hoeverre het belangrijkste inhoudelijkdidactische ontwerpprincipe dat op basis van een theoretische studie is geformuleerd, aansluit bij de praktijk. Dit ontwerpprincipe houdt in dat een didactiek voor historisch literatuuronderwijs vier benaderingen moet combineren: een historische, tekst- gerichte, contextgerichte en een lezersgerichte benadering. Om na te gaan in hoeverre dit ontwerpprincipe aansluit bij de gangbare praktijk van docenten, is een vignettenonderzoek uitgevoerd onder negen docenten Nederlands die lesgeven in de bovenbouw van het vwo. In dit onderzoek zijn les- en toetssituaties voorgelegd die de verschillende benaderingen representeren. De docenten beoordeelden de voorgelegde lesen toetssituaties op de mate waarin zij deze herkennen en zelf toepassen in hun lespraktijk. De resultaten laten zien dat de docenten alle vier de benaderingen herkennen en toepassen. Dit betekent dat het ontwerpprincipe uit de theoretische studie, namelijk dat een didactiek voor historisch literatuuronderwijs vier benaderingen moet combineren, aansluit bij gangbare praktijken en dat het verantwoord is om het geformuleerde basisprincipe te operationaliseren in het ontwerp. De resultaten geven ook steun voor een zestal andere inhoudelijk-didactische uitgangspunten die op basis van de theoretische studie zijn bepaald: (1) de basis is een canonieke tekst die buiten de belevingswereld van de doelgroep ligt; (2) leerlingen doen kerninzichten op binnen de vier benaderingen met als doel een totaalinzicht; (3) leerlingen moeten verbanden leggen tussen de tekst, de historische en maatschappelijke context en hun persoonlijke wereldbeeld; (4) de didactiek moet zich richten op vaardigheden die ook bij volgende teksten toepasbaar zijn; (5) de didactiek moet een begaanbare route bieden voor leerlingen met verschillende leesniveaus en (6) leerlingen moeten de didactiek ook zelfstandig kunnen uitvoeren. De bevindingen van dit onderzoek leveren een bijdrage aan het ontwerp van de gamificationdidactiek voor historisch literatuuronderwijs.

27 Formuleerproblemen in leerlingenwerk en schoolboeken Nederlands: een onderzoek naar de aansluiting tussen de leerstof en de formuleerproblemen van leerlingen
J. Steenbakkers, N. Stukker, K. de Glopper
Docenten Nederlands bieden modules ‘correct formuleren’ aan om leerlingen formuleerfouten te leren verbeteren. Dit artikel beantwoordt drie onderzoeksvragen over dit formuleeronderwijs: Welke formuleerfouten staan op het programma in klas 3 en 4 havo/ vwo? In welke mate representeert deze lesstof de soorten fouten die leerlingen maken in eigen teksten? In welke mate komen de schoolboeknormen overeen met die van taalwetenschappelijke literatuur en taaladviesboeken? Op basis van een analyse van de gangbare lespraktijk zijn vijf formuleerfouten geselecteerd. Deze fouten zijn vervolgens geïdentificeerd in 200 leerlingteksten met behulp van een analysemodel dat twee normen bevat: één gereconstrueerd uit de schoolboeken en één gereconstrueerd uit taalwetenschappelijke literatuur en taaladviesboeken. De analyseresultaten laten zien dat de aangeboden lesstof maar beperkt overeenkomt met de fouten die leerlingen zelf maken; daarnaast zijn er grote frequentieverschillen tussen de onderzochte fouten. Schoolboeknormen verschillen van de normen uit de taalwetenschappelijke literatuur en taaladviesboeken; de toepassing van schoolboeknormen levert aanzienlijk meer foutidentificaties op. Onze conclusie is dat het onderwijs in correct formuleren moet worden bijgesteld. De normen voor formuleerfouten kunnen sterker worden gefundeerd in de taalwetenschappelijke normatieve onderzoeksliteratuur en de lesstof kan zorgvuldiger worden afgestemd op fouten die leerlingen maken, zodat de aansluiting tussen formuleeronderwijs en formuleerproblemen van leerlingen wordt vergroot.

46 Een mini-interventie: het effect van een animatievideo van drie minuten op de integratie van broninformatie in syntheseteksten
L. van Ockenburg, D. Van Weijen, G.C.W. Rijlaarsdam
In het voortgezet onderwijs is instructie in synthesetaken relatief schaars. Het ligt voor de hand dat leerlingen daardoor geen goed ontwikkelde taakdefinitie bezitten wanneer zij voor het eerst een synthesetaak uitvoeren, terwijl de kwaliteit van de taakdefinitie de kwaliteit van de uiteindelijke syntheseteksten beïnvloedt. Daarom onderzochten we of het mogelijk is om met een mini-interventie, een geanimeerde video van drie minuten, een taakdefinitie te ontwikkelen die de integratie van broninformatie in syntheseteksten bevordert. Het onderzoek vond plaats in vier 3-vwo-klassen (N = 98), in een experimenteel ontwerp met aselecte toewijzing aan een van de twee condities: met en zonder het bekijken van de video voorafgaand aan de synthesetaak. In de uiteindelijke schrijfproducten telden we het aantal schakels tussen informatie uit verschillende bronnen en/of eigen tekst. We verzamelden ook holistische oordelen met aandacht voor integratie over de tekstkwaliteit. De resultaten wijzen erop dat leerlingen uit de experimentele conditie beter geïntegreerde syntheseteksten schreven. Hun teksten bevatten namelijk meer schakels dan de syntheseteksten uit de controleconditie. Bovendien werden hun teksten bij een holistische beoordeling hoger gewaardeerd. Het lijkt er dus op dat deze mini-interventie tot beter geïntegreerde syntheseteksten kan leiden, die wijzen op een beter ontwikkelde taakdefinitie.

67 Hoe meet je bewuste taalvaardigheid? Grammaticaal redeneren in de vakken Nederlands, Engels en Duits
G.P.M. Leenders, H.C.J. de Graaff, J.M. van Koppen
Het talenonderwijs op middelbare scholen in Nederland is weinig gericht op inzicht in taal en taalgebruik (bewuste taalvaardigheid). Leer- en toetsactiviteiten focussen zich voornamelijk op ‘het goede antwoord’ en niet op de redenering die daaraan vooraf gaat. In deze studie exploreerden we in hoeverre negen vwo 4-leerlingen (15-16 jaar) in hun redeneren impliciete dan wel expliciete kennis benutten. Hierbij werden grammaticaliteitsbeoordelingen en ontleedopgaven bij het Nederlands, het Engels en het Duits ingezet. Leerlingen kregen een 30 minuten durende schriftelijke taak, waarna ze mondeling per opgave uitlegden hoe ze tot hun antwoord waren gekomen (stimulated recall). Uit de verbatim uitgewerkte sessies werden tekstfragmenten geselecteerd waarmee het type en de herkomst van de gebruikte kennis met behulp van een codeerschema vastgesteld kon worden. Uit die analyse bleek dat de leerlingen bij de grammaticaliteitsbeoordelingen voornamelijk impliciete kennis gebruikten (o.a. taalgevoel), terwijl ze bij de ontleedopgaven, ongeacht de doeltaal, voornamelijk expliciete kennis inzetten (d.w.z. aangeleerde kennis en/ of ezelsbruggetjes). Bij de Engelse en Duitse opgaven werd kennis vanuit het Nederlands benut, terwijl dat andersom niet het geval was. In vervolg op deze studie zullen grammaticaliteitsbeoordelingen ingezet worden ter evaluatie van taaloverstijgende lessenseries bij de vakken Nederlands, Engels en Duits.

98 Samenhangend lees- en schrijfonderwijs in het schoolvak Nederlands Een bespreking van onderzoek naar effecten en didactiek van samenhangend lees- en schrijfonderwijs in het voortgezet onderwijs
M. Vis, A. van Gelderen, K. de Glopper, J.F. van Kruiningen
Lezen en schrijven worden binnen het standaardtaalonderwijs verkaveld aangeboden. Vanuit functioneel, cognitief en sociocognitief perspectief bezien staan de vaardigheden echter niet los van elkaar. Daarom is het aannemelijk dat samenhangend onderwijs in lezen en schrijven beide vaardigheden ten goede komt. Dit artikel presenteert een onderbouwde definitie van samenhangend lees- en schrijfonderwijs en bespreekt het empirische onderzoek naar de effecten van samenhangend lees- en schrijfonderwijs. Samenhangend lees- en schrijfonderwijs (i) bevat een gebalanceerde instructie die in gelijke mate op beide vaardigheden is gericht met als doel het verbeteren van beide vaardigheden, (ii) stelt verbindende elementen van functionele, cognitieve of sociocognitieve aard aan de orde en (iii) maakt de samenhang tussen lezen en schrijven voor leerlingen expliciet door deze te benoemen of door het onderwijs te richten op een van de verbindende elementen. Een systematische zoektocht naar literatuur over effectief samenhangend leesen schrijfonderwijs leverde slechts enkele studies op. In onze literatuurreview concluderen we dat deze studies methodologisch dermate verschillen dat we geen algemene conclusies kunnen trekken over effectiviteit. We identificeren in onze analyse wel drie mogelijk effectieve elementen, namelijk inzet van: overeenkomstige strategieën, kennis van tekstkenmerken en kennis van retorische overeenkomsten tussen lezen en schrijven.