Pedagogische Studiën — Jrg. 96 (juni 2019) nr. 3

Discussiebijdrage Voorbij de pleinvrees: Vlaanderen formuleert voor het eerst eindtermen burgerschap
P. Loobuyck
Zoals in Nederland heeft ook België een traditie waarbij de overheid zich terughoudend opstelt inzake burgerschapseducatie. Ondermeer de vrijheid van onderwijs, de aanwezigheid van de levensbeschouwelijke vakken en een foute interpretatie van de staatsneutraliteit kunnen de pleinvrees van de overheid mee verklaren. Daar komt nu verandering in. In 2018 hebben de Vlaamse regering en het Vlaams Parlement voor het eerst eindtermen ‘burgerschap met inbegrip van competenties inzake samenleven’ goedgekeurd. Dit initiatief is legitiem gelet op het belang van burgerschap en democratische geletterdheid. Dit artikel expliciteert de achterliggende redenering die het Vlaamse overheidsinitiatief inzake burgerschapseindtermen rechtvaardigt.

Het aanleren van pedagogisch-didactische vaardigheden: Ericsson’s hypothesen toegepast op de traineeship- en de reguliere routes tot eerstegraads leraar
R.M. van der Lans, M. Helms-Lorenz
Ericsson (2006) presenteert drie hypothesen over het aanleren van vaardigheid, namelijk de; (1) ervaringshypothese – vaardigheid is een functie van ervaring –, (2) hypothese van gerichte oefening – vaardigheid is een functie van oefening – en (3) talenthypothese – vaardigheid is een functie van talent. In deze studie worden deze drie hypothesen bestudeerd in de context van drie verschillende opleidingsroutes tot eerstegraads leraar, namelijk de Eerst de Klas (EDK-opleidingsroute), Onderwijstraineeship (OTS-opleidingsroute) en reguliere opleidingsroute. Vaardigheid in lesgeven is gemeten met het ICALT lesobservatieinstrument. Verschillen in vaardigheid zijn bestudeerd binnen twee ontwerpen. In het eerste ontwerp worden verschillen tussen 52 eerstejaars EDK-trainees en 41 eerstejaars OTS-trainees en 52 gecertificeerde eerstegraads starters bestudeerd. In het tweede ontwerp verschillen tussen 53 tweedejaars EDK-trainees en 34 tweedejaars OTStrainees en 53 gecertificeerde eerstegraads starters. Gekeken naar het eindniveau blijken opleidingsroutes niet te verschillen in gemiddelde of spreiding van vaardigheid. Dit kan goed worden begrepen vanuit de hypothese van gerichte oefening en deels vanuit de ervaringshypothese, maar niet vanuit de talenthypothese. De spreiding van vaardigheid is binnen alle opleidingsroutes groot. Hoewel gecertificeerde starters gemiddeld genomen voldoende scoren, scoort grofweg 20% onvoldoende op basisvaardigheden als klassenmanagement. Resultaten geven aanleiding om de rol van gerichte oefening binnen de lerarenopleiding nader te bestuderen.

Ontwikkeling en validering van een sociaal netwerk instrument om de samenwerking van leerkrachten in het kader van inclusief onderwijs te meten en versterken
J. Sannen, N. Ferbuyt, S. De Maeyer, P. Van Avermaet, K. Petry
Een sociale netwerk benadering biedt een waardevol en innovatief kader om de samenwerking van leerkrachten in het licht van inclusief onderwijs in kaart te brengen en versterken. Het doel van deze studie is daarom het ontwikkelen en valideren van een sociaal netwerk instrument dat leerkrachten, schoolteams en onderzoekers inzicht verschaft in de samenwerking van leerkrachten in het kader van inclusief onderwijs. Betreffende de ontwikkeling, worden specifieke aandachtspunten in het ontwikkelen van een netwerkvragenlijst aangehaald en toegepast. Betreffende de validering, worden de inhoud, responsprocessen en interne structuur van het instrument onderzocht. Daarnaast worden de cognitieve belasting om de netwerkvragenlijst in te vullen en de meerwaarde van feedback op basis van deze netwerkvragenlijst bestudeerd. Data werden verzameld in drie lagere en twee secundaire scholen aan de hand van een mixed method design. De resultaten suggereren dat ons instrument een valide tool is om de samenwerking van leerkrachten te meten en versterken.

Ruimte voor autonomie: De mediërende rol van autonomie in de relatie tussen managementstijl en de werkbeleving van leerkrachten 
M.G. Oosterhoff, C.E. Oenema – Mostert, A.E.M.G Minnaert
Wereldwijd vragen onderwijsexperts aandacht voor de effecten van druk die vanuit de samenleving op het onderwijs wordt uitgeoefend. Leerkrachten voelen zich ingeperkt in hun professionele autonomie. Uit literatuur blijkt dat er een relatie bestaat tussen de mate waarin leerkrachten professionele autonomie ervaren en aspecten van werkbeleving: ervaren onderwijskwaliteit en het engagement van de leerkracht. Ook toont onderzoek de invloed aan van leiderschap op de wijze waarop leerkrachten autonomie ervaren. Onderzoek naar de specifieke situatie van leerkrachten die werken met jonge kinderen is echter schaars. Doel van de huidige studie is het onderzoeken van de rol van professionele autonomie als onderliggend mechanisme in de manier waarop leidinggevenden invloed uitoefenen op de werkbeleving van leerkrachten in de eerste twee groepen van het basisonderwijs. Professionele autonomie is hiertoe op twee manieren geoperationaliseerd: als ervaren regelruimte en als vervulling van een psychologische basisbehoefte. Uit toetsing van het gepresenteerde hypothetische model blijkt dat de ervaren professionele autonomie het verband tussen managementstijl en werkbeleving van Nederlandse leerkrachten in de onderbouw van het primair onderwijs medieert. Een tweede bevinding is dat de relatie tussen managementstijl en de vervulling van de psychologische basisbehoefte aan autonomie gedeeltelijk wordt gemedieerd door de ervaren regelruimte. De wetenschappelijke en maatschappelijke relevantie worden besproken