Ouderschapskennis — Jrg. 17 (2014) nr. 1

Thema: Metapositie: ontregelende emoties

Inleiding op het thema
Margreth Hoek en Hanneke Miley
Kinderen grootbrengen roept een scala aan emoties op bij ouders. In het contact met hun kind kunnen zij positieve emoties ervaren zoals: blijdschap, liefde, gelukkig zijn… Maar ouders worden ook geconfronteerd met ‘negatieve’ gevoelens: “Ik kan hem wel achter het behang plakken!” is een uitroep die je hoort op het schoolplein wanneer ouders hun lang niet altijd glorieuze ervaringen met hun kind delen. Elke ouder kent woede, onzekerheid, frustratie, wanhoop. Deze negatieve emoties zijn extra confronterend omdat ze maatschappelijk niet echt geaccepteerd zijn én omdat het veel van ouders vraagt om deze emoties te reguleren. Emotieregulatie is van belang om situaties op de ouderlijke werkvloer niet te laten ontsporen. Het is een kunst om wanneer je boos bent je niet te laten leiden door deze emotie, maar te blijven reflecteren over wat er gebeurt en hoe je handelt. Soms lukt dat, soms niet.

Ambivalentie en reflectie in ouderschap
Katie Lee Weille
Ambivalentie – het tegelijkertijd of afwisselend ervaren van strijdige gevoelens, zoals liefde en haat voor je kind – vormt de basis van ouderlijke subjectiviteit. Het omgaan met veranderlijke, en vooral met negatieve, emoties is een belangrijke opdracht voor ouders. Wat kan hen hierbij helpen? Reflectie? Over het belang daarvan voor ouders is vanuit enkele theoretische invalshoeken geschreven. Denk aan het concept ‘mentaliseren’ uit de gehechtheidstheorie, en aan het begrip ‘metapositie’ als ondersteunende ‘buffer’ voor ouders, ontwikkeld door Van der Pas in haar ouderschapstheorie. De auteur deelt de opvatting dat reflecteren het mogelijk maakt om negatieve gevoelens te ‘containen’1 en zo minder schadelijk te maken. Het kunnen doorgronden van de lastige wisseling van alle intense emoties tussen liefde en haat heeft een kalmerend effect en geeft een gevoel van in controle zijn. Wat dit echter bemoeilijkt zijn de gevoelens van schaamte en schuld waar ouders bij hun eerste reflecties tegenaan lopen. Welke vorm van reflectie helpt ouders om ambivalentie te verdragen, en vooral hun negatieve emoties? Is reflectie genoeg, of hebben ouders meer nodig – en zo ja: wat is dat ‘meer’? Deze vraag wordt behandeld aan de hand van theorieën en een praktijkvoorbeeld.

De metapositie van de ouder en die van de ouderbegeleider
Pieter Remmerswaal
De moeder met het ‘borderline’-predicaat (Remmerswaal, 1998) sprak graag met me over haar dochter Minnie en haar ouderlijke zorgen en ze deed dat lange tijd wekelijks. Van haar leerde ik de traumatisering in haar jeugd en de (daarmee samenhangende) falende emotieregulatie te zien als buitengewone stressoren voor haar opvoederschap en voor haar ouderschap. Voor haar opvoederschap omdat het haar bijna dagelijks hinderde bij het vormgeven aan basaal opvoedgedrag, en voor haar ouderschap: het kostte haar extreem grote moeite om zichzelf als goede moeder te blijven zien. We bespraken vaak hoe Minnie zich thuis misdroeg en hoe moeder dan geen energie kon opbrengen daar iets tegen te doen of daardoor juist uit haar slof schoot.

Dus ik doe het zo slecht nog niet
Rita Blaak
‘Dus ik doe het zo slecht nog niet, begrijp ik dat goed?’ concludeert deze moeder bij de deur. Het overkomt me vaker, dat een pedagogisch adviesgesprek wordt afgerond met deze ‘meta’ uitspraak. Leuk vind ik dat. Een politicus antwoordt dan meestal met: ‘dat zijn uw woorden’. Maar uiteraard zeg ik dat niet. Ik wil tenslotte ouders een beter gevoel – of minder onaangename gevoelens – over zichzelf laten krijgen. Dus heb ik dit, laat ik het ‘vertrouwen in jezelf als ouder’ noemen, tijdens het gesprek wel uitgestraald. En dat heeft deze moeder opgepakt.

Metaconfrontatieniveau
Ad de Gouw
‘Heb jij die film ook gezien? Ik had er nooit naar toe moeten gaan. De hele nacht lag ik er wakker van en dacht: Wat zou ik in een dergelijke situatie hebben gedaan?’ Als ouderbegeleider zoek je, samen met ouders naar antwoorden op hun vragen. Vragen waarmee ze worden geconfronteerd door gebeurtenissen in hun gezin en met hun kind. Je stelt vragen waardoor niet alleen jij als ouderbegeleider meer duidelijkheid krijgt, maar vooral de ouders zelf. Vragen die hen helpen om vanaf een afstand te kijken naar wat er zich allemaal afspeelt rond en met hun kind en rond en met henzelf. Maar realiseren we ons voldoende dat dit verre van gemakkelijk is?

Ouders in beeld
José Koster
Documentaire: ‘Je ouders in de lik’ Aflevering van een reality-serie: ‘Je ouders in de lik’ http://www.uitzendinggemist.nl/afleveringen/1252066 Duur: 30 minuten Regie: Liesbeth Van Den Bosch Productie: Stokvis & Stokvis Content in samenwerking met Claudia Schoemacher. Deze aflevering van de realityserie is uitgezonden door de TROS op dinsdag 15 mei 2012. De documentaire ‘Je ouders in de lik’ kwam tot stand in nauwe samenwerking met Stichting Exodus en het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Het ministerie maakte het mogelijk om achter de schermen van verschillende Nederlandse gevangenissen te filmen.

‘Toen ik nog geen moeder was, dacht ik ouders wel te begrijpen’
Dr. Margreth Hoek
In dit artikel gaat de auteur na hoe professionele kennis en ouderschap elkaar kunnen beïnvloeden. Over dit thema is nog niet veel gepubliceerd, maar dat wil niet zeggen dat het onbelangrijk is. Deze verkenning laat onder andere zien dat werken met ouders zonder kennis van ouderschap nadelig uitwerkt voor professionals en ouders. Ervaring met het eigen ouderschap zorgt ervoor dat professionals meer zicht krijgen op de zorgen van ouders, maar het eigen ouderschap kan ook een valkuil zijn bij het begeleiden van ouders. Verder lijkt het erop dat professionals de opgedane kennis over ontwikkeling van kinderen en opvoedmethoden als norm internaliseren om daarmee de kwaliteit van hun eigen ouderschap te meten. Tot op heden is het aanreiken van ouderschapskennis, vaardigheden in de gespreksvoering met ouders en het innemen van een ouderbegeleidende positie in het curriculum van de opleiding onderbelicht. Als we mensen willen die goed opgeleid worden om met ouders te werken, dan moeten deze thema’s meer aan bod komen. De basis moet in de werkpraktijk verder worden uitgebouwd, bijvoorbeeld door intervisie, zodat het eigen ouderschap geen valkuil wordt tijdens gesprekken met ouders.

‘Zicht houden op het kind’
Pieter Remmerswaal
‘Meneer, ‘zicht hebben op het kind’ van ouders is toch hetzelfde als de metapositie innemen?’ De ervaren kindwerker probeert mij en mijn collega bij de nabespreking van haar tentamen ‘Ouderbegeleidingsvaardigheden’ in de opleiding tot intensief ambulant gezinshulpverlener (Remmerswaal & Van der Sande, 2005) te laten uitleggen wat het verschil is, volgens de buffertheorie van Van der Pas.

De breakdown van de empathie: schaamte en verbroken contacten
Mieke Van Daele
In dit artikel vertrek ik van de stelling dat metapositie een proces is. Een proces dat zich altijd ook ontwikkelt in interactie met mensen en met maatschappelijke opvattingen. Het kunnen reflecteren over je kind, over jezelf als ouder en over watje samen aan het opbouwen bent in de opvoeding, is geen ‘vaststaande’ en al dan niet aanwezige ouderlijke kwaliteit. Inleving is een belangrijk aspect van die reflectieprocessen en ontwikkelt zich eveneens in sociale interactie. Het gebeurt om de zoveel tijd in de opvoedingspraktijk dat het inlevingsproces en daarmee ook vaak het reflectieproces blokkeert. We krijgen een breakdown in de empathie. Als dit lange tijd blijft aanhouden, kan het mensen diep raken en verbindingen aantasten. Als ouderbegeleider worden we hierin mee geraakt. Ook onze inleving en reflectie blokkeert en we worden eveneens geconfronteerd met verbindingsproblemen. Dit thema staat centraal in dit artikel. We zoeken hoe een ander en dynamischer denkschema omtrent reflectie en inleving de ouderbegeleider alsook de ouder kan helpen om inlevingsblok-kades te kunnen verdragen, en vooral om terug reflectiemogelijkheden te genereren omtrent het kind, zichzelf als ouder en de opvoeding.