Pedagogische Studiën — Jrg. 98 (december 2021) nr. 4

In Memoriam Prof. dr. Tjeerd Plomp (1938-2021)
Jan van den Akker

Het Keuzedeel Voorbereiding HBO: een verbetering van de kwaliteit van studiekeuzeprocessen van mbo’ers?
J. Slijper, E.S. Kunnen
Dit artikel rapporteert een onderzoek naar de mogelijke bijdrage van het Keuzedeel Voorbereiding Hbo aan de kwaliteit van studiekeuzeprocessen bij laatstejaars mbostudenten uit het economische domein. Het overkoepelende doel van dit keuzedeel is het bevorderen van een soepele transitie van mbo naar hbo. Met identiteitsontwikkeling als theoretisch uitgangspunt is met een mixed methods onderzoeksdesign onderzoek verricht naar de ontwikkeling van exploratie en commitment in het studiekeuzeproces. Er was op het mbo een meting voorafgaand en na het keuzedeel. Het kwalitatieve onderzoek heeft inzicht gegeven in de achterliggende beweegredenen in het studiekeuzeproces. Mbo’ers uit het economische domein blijken weinig te exploreren en niet tot sterke commitments komen, de zogenoemde diffusion status. De kwantitatieve data tonen een significant verschil in commitment voor en na het keuzedeel. De kwalitatieve data laten zien dat het keuzedeel enigszins heeft aangezet tot exploratie. Na het keuzedeel praten meer respondenten met anderen over de studiekeuze en er worden plannen gemaakt voor proefstuderen of opendagbezoek. Weinig mbo’ers benoemen het keuzedeel zelf als oriëntatiemogelijkheid. Dit kan te maken hebben met het verplichte karakter van het keuzedeel, met gevolgen voor de laag blijvende exploratie- en commitmentscores na het keuzedeel. Daarnaast blijken de lage exploratie-en commitmentscores kenmerkend voor deze economische mbo-studenten.

Effectiviteit van redelijke aanpassingen bij leerlingen met ADHD: een experimenteel en interventieonderzoek
D. Baeyens
Effectiviteit van redelijke aanpassingen bij leerlingen met ADHD: een experimenteel en interventieonderzoek Het hoger onderwijstraject van studenten met ADHD wordt gekenmerkt door lagere prestaties, vaker dubbelen en hogere uitval dan hun leeftijdsgenoten zonder ADHD. Redelijke aanpassingen worden geïmplementeerd om aan deze situatie te verhelpen. Echter, de wetenschappelijke evidentie voor effectiviteit van redelijke aanpassingen is bijzonder beperkt, zelfs van frequent gebruikte aanpassingen zoals langere examentijd. In een interventiestudie onderzochten we of een teststrategietraining de testprestatie op een gesimuleerd examen zou verbeteren tijdens langere examenduur. Vergeleken met een standaard examenduur conditie, verbeterde de getrainde groep (n=23) zijn time-management strategieën meer dan een ongetrainde groep (n=23) en presteerde op die manier in beperkte mate ook beter in de langere examenduur conditie. Daarnaast werd in een experimentele opzet voor het eerst de effectiviteit van de aanpassing ‘apart examenlokaal’ nagegaan. De resultaten op een gesimuleerd examen en belevingsvragenlijst toonden zowel voor studenten met als zonder ADHD (telkens n=15) aan dat de testprestatie niet significant verschilde wanneer het examen werd afgelegd in grote groep of in een apart examenlokaal. Samen tonen deze resultaten tentatief aan dat de effectiviteit van frequent gebruikte aanpassingen voor ADHD beperkt is maar mogelijk kan versterkt worden wanneer ze onderdeel vormen van een ruimer ondersteuningspakket. Tegelijk moeten ook steeds alternatieve oplossingen overwogen worden.

Wat heeft de invoering van passend onderwijs in Nederland opgeleverd voor leerlingen?
G. Ledoux
De Wet passend onderwijs die in Nederland in 2014 in werking is getreden betreft een stelselverandering in het onderwijs voor leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften. In een breed opgezet evaluatieprogramma is tussen 2015 en 2020 onderzocht wat de impact van dit beleid is geweest voor leerlingen. Methoden die hiervoor zijn ingezet zijn secundaire analyses van stroom- en loopbaangegevens van leerlingen, surveys bij leraren en andere onderwijsprofessionals, en interviews met leerlingen en leraren. Het onderzoek laat zien dat passend onderwijs op leerlingenniveau nog niet tot veel verandering heeft geleid. Kort na de invoering daalde de instroom in het speciaal onderwijs, maar die daling heeft niet doorgezet en recent is weer sprake van een stijging. Het aantal thuiszitters stijgt eveneens, tegen de beleidsbedoelingen in. In het basisonderwijs hebben leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften lagere prestaties dan de overige leerlingen. Dit geldt meer voor begrijpend lezen dan voor rekenen. Er is nog geen sprake van een afname van dit verschil. Wel voelen de meeste leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften zich goed geholpen op hun school en sommige leerlingen rapporteren ook een positief effect op hun leerprestaties. Een verandering in de tijd is dat de aard van de ondersteuningsbehoeften van leerlingen verschuift, net als de zwaarte

Meting van burgerschapscompetenties van jongeren in het middelbaar beroepsonderwijs
C. Holman, A.B. Dijkstra, R. Daas
In dit artikel staan de burgerschapscompetenties van studenten in het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) centraal. Onder burgerschap worden de competenties verstaan die nodig zijn om, ondanks verschil, vreedzaam en constructief met anderen te kunnen samenleven. We beschrijven de constructie van een instrument voor meting van burgerschapscompetenties in het mbo en de resultaten daarvan. Het theoretisch raamwerk is ontleend aan een bestaand meetinstrument voor het funderend onderwijs. Het conceptuele kader beschrijft drie taken die representatief zijn voor burgerschap in het mbo: ‘democratisch handelen’, ‘maatschappelijk verantwoord handelen’ en ‘omgaan met maatschappelijke vraagstukken’. Het ontwikkelde instrument is afgenomen onder 2500 studenten op een brede doorsnede van mbo-instellingen. De psychometrische eigenschappen zijn goed. De verschillende componenten hangen samen, waarbij kennis een meer autonome plaats inneemt naast burgerschapsattituden en vaardigheid. Vrouwelijke studenten scoren grosso modo hoger dan mannen. De burgerschapscompetenties van studenten in uiteenlopende opleidingen lijken veel op elkaar. Het onderzoek laat zien dat meting van de burgerschapscompetenties van mbo-studenten mogelijk is, en stelt in staat de burgerschapscompetenties van groepen studenten met uiteenlopende achtergrondkenmerken en uit uiteenlopende opleidingen in kaart te brengen. Daarmee wordt het mogelijk groepen en instellingen te vergelijken en onderzoek te doen naar kenmerken van effectief burgerschapsonderwijs in het mbo.