Pedagogische Studiën — Jrg. 97 (juni 2020) nr. 1

Het bevorderen van doorstroom naar het hoger beroepsonderwijs door middel van een doorlopende leerroute: het Groene Lyceum vergeleken met vmbo-mbo en havo
H.J.A. Biemans, H. Mariën, T. Beliaeva, J. Harbers
De ontwikkeling van doorlopende leerroutes om de doorstroom van leerlingen(/studenten) in het beroepsonderwijs te bevorderen, krijgt tegenwoordig veel aandacht. De centrale vraag van dit exploratieve onderzoek is of doorstroom naar en positieve ervaringen op het hbo van leerlingen met een relatief hoog cognitief niveau worden bevorderd door middel van de versnelde, doorlopende leerroute het Groene Lyceum (hGL) vergeleken met de meer traditionele routes naar het hbo. Beoogd wordt zo inzicht te verkrijgen in de werkzaamheid van deze doorlopende leerroute. Er wordt gerapporteerd over een drietal deelstudies waarin het schoolloopbaansucces van leerlingen met vergelijkbare cognitieve capaciteiten in verschillende leerroutes naar het hbo (hGL, regulier vmbo-mbo en havo) wordt ver- geleken. In de eerste deelstudie worden hGL en regulier vmbo vergeleken op vmbo-eind- examencijfers en doorstroom van leerlingen naar het mbo. In het tweede deelonderzoek worden hGL en regulier mbo vergeleken op doorstroom van leerlingen naar het hbo. In de derde deelstudie tenslotte worden leerlingen uit drie leerroutes (hGL, regulier mbo en havo) bevraagd naar hun ervaringen in het eerste jaar van het hbo. hGL-leerlingen blijken vergelijkbare vmbo-eindexamencijfers te behalen in kortere tijd en vaker door te stromen naar het mbo dan vergelijkbare leerlingen uit het reguliere vmbo. Bovendien stromen hGL- leerlingen bijna twee keer zo vaak door naar een hbo-opleiding als vergelijkbare leerlingen uit het reguliere mbo. Voor de betreffende specifieke doelgroep van leerlingen lijkt hGL de voordelen van mbo- en havo-opleidingen te combineren: theoretische voorbereiding op het hbo op havo-niveau gecombineerd met beroepsgerichte voorbereiding op mbo- niveau, gekoppeld aan extra ondersteuning

Lezen en antwoorden bij de tekst met vragen geobserveerd Een eye-trackstudie onder vwo 4-leerlingen
P. Rooijackers, G. van Silfhout, U. Schuurs, I. Mulders, H. van den Bergh
In leeslessen Nederlands in het secundair onderwijs wordt vaak de tekst met vragen gebruikt om leerlingen te toetsen en trainen in tekstbegrip. Daarbij is de gedachte doorgaans: wie goed vooraf leest, maakt de vragen ook goed. In deze studie wordt de relatie tussen het vooraf lezen van teksten en het beantwoorden van bijbehorende vragen onderzocht door analyse van de oogbewegingen. Vertrekpunt vormt de aanname in de Constructie-Integratietheorie van Kintsch (1998) dat lezers voor een dieper tekstbegrip meer aandacht besteden aan kernzinnen dan aan niet-kernzinnen. Er is onderzocht in hoe- verre vwo 4-leerlingen (N = 16) tijdens vooraf lezen meer leestijd schenken aan kernzinnen dan aan niet-kernzinnen en in hoeverre dit verband houdt met het antwoorden. Uit de resultaten blijkt dat deelnemers tijdens vooraf lezen meer tijd besteden aan kernzinnen, maar op dieper tekstbegripsniveau kon geen relatie tussen vooraf lezen en antwoorden worden vastgesteld. Deelnemers lezen vooraf over het algemeen lineair en construeren pas tijdens het antwoordproces een dieper tekstbegrip. De vraag is daarmee in hoeverre de huidige inrichting van deze taak tekstbegrip bevordert en de dominantie ervan in het schoolvak Nederlands gerechtvaardigd is

Gewoon een kamishibai?! Implementatiepraktijken als het resultaat van interpretatieve onderhandelingsprocessen
K. Vermeir, G Kelchtermans
Onderwijsvernieuwingen worden vaak ondersteund door artefacten: doelbewust ontwikkelde instrumenten om vernieuwingsdoelen te realiseren. Soms vormen die artefacten op zichzelf de vernieuwing. Deze studie rapporteert over een enkelvoudige gevalsstudie van de implementatiepraktijken in een kleuterschool na de adoptie van één educatief artefact: de kamishibai. Dit is een klein houten theatertje dat wordt gebruikt als hulpmiddel bij het vertellen van verhalen. Doorheen het implementatieproces wordt duidelijk dat het didactisch gebruik van de kamishibai een veel bredere en meer gevarieerde betekenis kan krijgen. Verder bouwend op inzichten uit het betekenisgevingsperspectief tonen we hoe die betekenissen – en zo ook de gepercipieerde inzetbaarheid – van het artefact evolueerden doorheen de tijd. Als resultaat van interpretatieve onderhandelingsprocessen kreeg de kamishibai eerst louter betekenis vanuit een intrinsieke pedagogische agenda, maar ontwikkelde zich vervolgens o.m. tot een politiek instrument om tegemoet te komen aan de druk vanuit de scholengemeenschap en tot een strategisch hulpmiddel voor taal- stimuleringsonderwijs. Aansluitend bij voorgaand onderzoek over de rol van artefacten in schoolontwikkeling, maakt deze studie inzichtelijk dat feitelijke implementatiepraktijken niet alleen het resultaat zijn van de rationale achter het artefact (met welk doel is het ontworpen?), maar ook van de betekenisvolle onderhandeling tussen de gebruikers, hun belangenagenda en de eisen van de organisatorische context.

Werelden van verschil: aard en intensiteit van interprofessionele samenwerking tussen basisonderwijs en kinderopvang
M.R.E. Verheijen-Tiemstra, A.A. Ros, M.J.M. Vermeulen
Intensieve samenwerking tussen basisonderwijs en kinderopvang wordt in toenemende mate noodzakelijk geacht om kinderen een doorgaande ontwikkelingslijn te kunnen bieden. Ondanks alle maatschappelijke aandacht voor dit vraagstuk is wetenschappelijke kennis over het onderwerp echter nog zeer beperkt. Het doel van deze studie is daarom om meer inzicht te krijgen in de aard van de interprofessionele samenwerking (IPS) tussen kinderopvang en basisonderwijs en de knelpunten die hierbij een rol spelen. Een meervoudige casestudy bij zestien kindcentra is uitgevoerd om de aard en intensiteit van IPS te onderzoeken. Via twee dataverzamelingsmethoden, een focusgroepinterview met medewerkers en individuele interviews met leidinggevenden van beide sectoren, zijn data verzameld. Voor de analyse van gegevens is een analysemodel ontwikkeld, gebaseerd op een gevalideerd model uit de gezondheidszorg. Resultaten laten zien dat IPS een multi-dimensioneel construct is: IPS vindt gelijktijdig met verschillende intensiteiten plaats. Zeven van de twaalf subdimensies bevinden zich op het niveau van coöperatie. Een lage intensiteit van IPS is gevonden binnen de normatieve dimensie. Uit analyse van de knelpunten blijkt dat er een grote mate van ongelijkheid bestaat tussen de samenwerkingspartners en dat dit belemmerend is voor intensivering van IPS.