Pedagogische Studiën — Jrg. 94 (juni 2017) nr. 2

Hoe percipiëren universitaire docenten hun onderwijscontext? De inzetbaarheid van de PTE als meetinstrument
Ann Stes, Sven De Maeyer, Peter Van Petegem

De Perception of Teaching Environment Inventory (PTE) (Prosser & Trigwell, 1997) werd ontwikkeld om op een eenvoudige manier de perceptie van universitaire docenten op hun onderwijscontext in kaart te brengen. In de huidige studie onderzoeken we of de Nederlandstalige versie die wij uitwerkten, toelaat om betrouwbare en valide uitspraken te doen over deze perceptie. Data werden verzameld bij 120 docenten van de Universiteit Antwerpen. Confirmatorische factoranalyses en een principale factoranalyse met oblieke rotatie wijzen in de richting van een model met vier subfactoren. Onze resultaten geven echter ook aan dat via de vragenlijst niet vanzelfsprekend betrouwbare en valide uitspraken kunnen worden bekomen over hoe universitaire docenten hun onderwijscontext percipiëren. Bijgevolg is het instrument niet zomaar inzetbaar in onderwijsonderzoek of – praktijk. Vervolgonderzoek naar de cognitieve validiteit van resultaten verkregen via het instrument en/of een replica van de eigenlijke ontwikkelingsstudie door Prosser en Trigwell zijn wenselijk.

De invloed van krimp op de ontwikkeling van leerprestaties van basisschoolleerlingen in een krimpgebied
L.T.M. Rekers-Mombarg, N. Hulshof

Basisscholen aan de ‘randen’ van Nederland krimpen al geruime tijd in leerlingenaantallen. Doordat basisscholen kleiner worden, de onderwijscontext ongunstiger wordt en hoog opgeleide ouders wegtrekken staat de onderwijskwaliteit onder druk en zouden de leerprestaties kunnen dalen. Met dit surveyonderzoek is de ontwikkeling van leerprestaties in een krimpgebied onderzocht en nagegaan of de ernst van de krimp en sociaaleconomische achtergrond van leerlingen hier invloed op hebben. De data zijn afkomstig van schooladministratie- en leerlingvolgsystemen van bijna 1600 leerlingen op 24 reguliere basisscholen in Oost-Groningen. Gevonden is dat de gemiddelde vaardigheidsscores voor rekenen-wiskunde, begrijpend en technisch lezen licht fluctueren rondom de landelijke norm in de midden- en bovenbouw. Meerniveau groeicurve-analyses tonen de veerkracht van de basisscholen. Bij een minder goede leerlingencohort wordt de aanvankelijke achterstand weggewerkt totdat er in groep 8 geen noemenswaardige verschillen meer zijn met de andere leerlingcohorten. Ook de relatief ongunstige sociaaleconomische achtergrond van leerlingen en de mate van krimp vormen geen belemmering voor de ontwikkeling van de leerprestaties. Aanvankelijke lagere leerprestaties worden te niet gedaan, ongeacht de ernst van de krimp waarmee de school geconfronteerd wordt. Basisscholen in het krimpgebied Oost-Groningen weten voldoende te anticiperen op de ernstige gevolgen van krimp.

Over de adolescent tussen biologie en omgeving Boekbespreking van: Jelle Jolles, Het tienerbrein
Joyce Leysen

Het boek Het tienerbrein van Jelle Jolles richt zich naar de domeinen opvoeding en onderwijs. Het spreekt voornamelijk ouders, leerkrachten, en professionals in onderwijs en opvoeding aan. In het boek klinkt een pleidooi om de ontwikkeling van tieners tot volwassenen vanuit een samenhang van biologische en omgevingsfactoren te benaderen. Het woord brein wordt ingezet om die samenhang te benadrukken (en is dus niet identiek aan hersenmechanismen, p. 18). In zeven delen zijn de verschillende dimensies van de tienerontwikkeling volgens Jolles terug te vinden. In meerdere delen worden implicaties van de tienerontwikkeling voor de vormgeving van opvoeding en onderwijs geschetst, en een aantal voorstellen en richtlijnen meegegeven.

De overgang van het basis- naar het voortgezet onderwijs en de verdere schoolloopbaan
M. van Rooijen, H. Korpershoek, J. Vugteveen, M.-C. Opdenakker

In de onderhavige studie is van ruim 10.000 leerlingen de overgang van basis- naar voortgezet en hun schoolloopbaan van groep acht tot leerjaar vier van het voortgezet onderwijs (vo) bekeken. Het doel was drieledig: allereerst is gekeken naar de overeenstemming tussen de schooladviezen die deze leerlingen in groep 8 van het basisonderwijs kregen en het onderwijstype waar zij in leerjaar vier van het vo terecht zijn gekomen. Ten tweede is onderzocht welke achtergrondkenmerken, cognitieve, motivationele en sociaal-emotionele factoren (gemeten in groep 8) voorspellend zijn voor leerlingen die op- of afstromen. Tot slot is een groep leerlingen met een ongunstig schoolloopbaanverloop gedefinieerd (o.m. afstroom t.o.v. het schooladvies) en is met een regressieboomanalyse gekeken welke factoren onderscheidend waren. Hiertoe zijn secundaire data-analyses uitgevoerd op verrijkte COOL5-18 databestanden. Uit de resultaten bleek dat ruim twee derde van de niet-gedoubleerde leerlingen in leerjaar vier op het geadviseerde onderwijstype terecht is gekomen. Afstroom naar een lager onderwijstype kwam wat vaker voor dan opstroom naar een hoger onderwijstype ten opzichte van hun schooladvies. Verschillende achtergrondkenmerken spelen een rol bij op- en afstroom ten opzichte van het schooladvies. Bovendien bleken vooral scores op begrijpend lezen en rekentoetsen uit groep 8 leerlingen met een ongunstige schoolloopbaan te onderscheiden.