Pedagogische Studiën — Jrg. 94 (december 2017) nr. 4

Thema: schrijven en schrijfonderwijs in Nederland en Vlaanderen

Schrijven en schrijfonderwijs: inleiding op het themanummer
M. Lesterhuis, F. De Smedt, R. Bouwer

Dit themanummer bestaat uit 6 artikelen en een discussiebijdrage over schrijven en schrijfonderwijs in Nederland en Vlaanderen. Dit themanummer komt voort uit een groep van Vlaamse en Nederlandse schrijfonderzoekers die regelmatig samenkomen om zowel nationale als internationale trends binnen het schrijfonderzoek te bespreken en te bediscussiëren. Door dit werk te bundelen in een themanummer van Pedagogische Studiën ontstaat een goed beeld van de meest recente theoretische en empirische inzichten in het schrijfonderzoek van Vlaanderen en Neder- land. In dit inleidende hoofdstuk beschrijven we de belangrijkste thema’s op het gebied van schrijven en schrijfonderwijs en laten we zien hoe de verschillende bijdragen in dit themanummer hierop aansluiten.

Hoe schrijven masterstudenten syntheseteksten? Het brongebruik van gevorderde schrijvers in kaart gebracht
M. Leijten, L. Van Waes, I. Schrijver, S. Bernolet, L. Vangehuchten

In het hedendaags schrijfvaardigheidsonderwijs is ‘schrijven op basis van externe bronnen’ een belangrijke vaardigheid. Dit artikel onderzoekt op welke manier masterstudenten bronnen consulteren en verwerken in syntheseschrijftaken. Daarbij verkennen we in de eerste plaats welke indicatoren we het beste kunnen gebruiken om die omgang met bronnen te beschrijven. Daarnaast gaan we na in welke mate de aanpak van het brongebruik stabiel blijft binnen proefpersonen en hoe de aanpak zich verhoudt tot de productkwaliteit. In dit onderzoek schreven 60 masterstudenten aan het begin en aan het einde van het academisch jaar een synthesetekst in hun moedertaal. Er werden hun twee thema’s voorgelegd en per thema kregen de studenten drie onlinebronnen aangeboden: een rapport van de Europese Unie, een beknopte webtekst en een krantenartikel. De schrijfprocessen en het brongebruik werden geregistreerd via het toetsregistratieprogramma Inputlog. Op die manier werd nagegaan hoeveel tijd de masterstudenten besteedden aan het lezen en consulteren van de bronnen, wanneer ze dat deden, welke bronnen ze het meest frequent consulteerden en hoe vaak ze tussen de verschillende (soorten) bronnen wisselden. De kwaliteit van de syntheseteksten werd vervolgens holistisch beoordeeld door vier beoordelaars op basis van schaalvoorbeelden. Om een beter en concreter beeld te schetsen van de complexiteit die brongebruik kenmerkt, presenteren we eerst een casestudy van twee schrijvers. Daarna stellen we de resultaten van een factoranalyse voor. Die geeft aan welke variabelen – en in welke samenhang – beschrijvende indicatoren vormen voor de manier waarop masterstudenten omgaan met bronnen en op welke manier die indicatoren van invloed zijn op de tekstkwaliteit. Uit de factoranalyse blijkt dat er drie componenten zijn die de aanpak van het brongebruik van de masterstudenten kunnen bepalen (75% van de totale datavariantie): (a) initiële leestijd, (b) interactie met de bronnen en (c) de mate van variantie in brongebruik in de loop van het schrijfproces. De manier waarop bronnen worden geconsulteerd en verwerkt, blijkt stabiel te zijn van meetmoment 1 naar meetmoment 2. Ook de productkwaliteit blijft onveranderd. Wel toont de analyse van goede en slechte teksten aan dat goede teksten meer gekenmerkt worden door een relatief lange initiële leestijd met relatief minder bronwissels. Ook lijkt het raadzamer om bij het verder uitwerken van de tekst vaker (en gerichter) de bronnen te consulteren.

Teksten beoordelen met criterialijsten of via paarsgewijze vergelijking: een afweging van betrouwbaarheid en tijdsinvestering
L. Coertjens, M. Lesterhuis, S. Verhavert, R. Van Gasse, S. De Maeyer

Tekstkwaliteit betrouwbaar beoordelen zonder daar veel tijd aan te besteden is cruciaal voor zowel schrijfonderzoekers als de onderwijspraktijk. In deze studie namen we twee beoordelingsmethoden onder de loep: criterialijsten, die analytisch en absoluut van insteek zijn, en paarsgewijze vergelijking, een methode met een holistische en vergelijkende opzet. Voor beide methoden brachten we in kaart hoe lang een beoordeling per tekst duurde en hoe de betrouwbaarheid veranderde naarmate de groep van beoordelaars meer tijd investeerde in het beoordelen. Uit de resultaten bleek dat voor beide methoden de benodigde tijd afnam naarmate een beoordelaar al (meerdere) beoordelingen had gemaakt. De resultaten lieten ook zien dat wanneer betrouwbaarheid opgevat wordt als een maat voor de stabiliteit van de rangorde, beide methoden een vergelijkbare tijdsinvestering vragen. Vervolgonderzoek moet uitwijzen welke methode meer tijd vraagt wanneer rekening gehouden wordt met de tijd die nodig is om een criterialijst te ontwikkelen of om een evaluatie met behulp van paarsgewijze vergelijking op te zetten. Daarnaast moet toekomstig onderzoek uitwijzen of de conclusies uit dit onderzoek ook gelden voor andere teksten en andere criterialijsten.

Het openbreken van een black box: schrijven en schrijfinstructie in het vlaamse lager onderwijs
F. De Smedt, H. Van Keer

In een recent adviesrapport van de Taalunie wordt er opgeroepen om het schrijfonderwijs in Vlaanderen en Nederland te versterken opdat alle leerlingen de kans zouden krijgen om hun schrijfvaardigheden optimaal te ontwikkelen. Alvorens er kan ingezet worden op het optimaliseren van het schrijfonderwijs, is het belangrijk om eerst in kaart te brengen hoe het huidige schrijfonderwijs ingericht en ervaren wordt. Daarom heeft deze studie een dubbel doel: (1) vanuit het leraarperspectief trachten we zicht te krijgen op de vigerende schrijfinstructie in de bovenbouw van het Vlaamse lager onderwijs en (2) vanuit het leerlingperspectief proberen we naast de schrijfprestaties ook motivationele aspecten (d.i., schrijfmotivatie en self-efficacy met betrekking tot schrijven) van leerlingen in kaart te brengen. 128 leraren en 1577 leerlingen uit het vijfde en zesde leerjaar vulden respectievelijk een leraren- en leerlingenvragenlijst in. Daar- naast nam de helft van de deelnemende leerlingen deel aan twee schrijftesten (d.i., een informatieve en narratieve tekst schrijven). Resultaten tonen aan dat de gerapporteerde tijdsbesteding met betrekking tot schrijven en schrijfinstructie en de gerapporteerde schrijfdidactieken niet altijd in lijn liggen met wat eerder onderzoek als effectief schrijfonder- wijs rapporteert. Tot slot wijst deze studie op belangrijke verschillen tussen leerlingen met betrekking tot schrijfprestaties, self-efficacy en schrijfmotivatie.

Leren schrijven met Tekster: een wetenschappelijk beproefde lesmethode voor het basisonderwijs
R. Bouwer, K. Koster, H. van den Bergh

Om het onderwijs in schrijfvaardigheid op de basisschool te verbeteren is in nauwe samenwerking met docenten de lesmethode Tekster ontwikkeld. Tekster is een strategiegericht lesprogramma voor schrijfvaardigheid voor de hoogste drie leerjaren van het basisonderwijs (groep 6 tot en met 81), waarin leerlingen door een combinatie van modeling, expliciete instructie en scaffolding een systematische aanpak leren voor het schrijven van teksten in verschillende genres. De effectiviteit van Tekster is beproefd in twee grootschalige interventiestudies met 2766 leerlingen en 144 docenten van 52 scholen. In beide studies schreven leerlingen voor en na een reeks van 16 Teksterlessen drie teksten: een beschrijving, een verhaal en een overtuigende brief. De eerste interventie duurde 8 weken (2 lessen per week), de tweede interventie duurde 16 weken (1 les per week) en was uitgebreid met training voor docenten. In beide studies verbeterden de schrijfprestaties van de leerlingen significant na het programma. Dit effect was op een derde meetmoment, twee maanden na de interventie, nog steeds zicht- baar. Het leereffect, generaliserend over de drie tekstgenres, was in de tweede studie (ES = 0.55) sterker dan in de eerste studie (ES = 0.40). Dit onderzoek laat zien dat Tekster een veelbelovende aanpak is om het schrijfonderwijs op de basisschool te verbeteren.

Doen we weer Booster? Het effect van een digitale en interactieve schrijfcursus op tekstkwaliteit in havo 4
K. Elving, H. van den Bergh

Welke didactische werkvormen zijn effectief binnen het schrijfonderwijs in de havo-boven- bouw? Om deze vraag te kunnen beantwoorden, is de digitale en interactieve schrijfcursus Booster ontwikkeld en in havo 4 beproefd (N=89). Booster is ontwikkeld op basis van effectief bewezen didactische werkvormen die elk afzonderlijk in eerdere studies een positief effect bleken te hebben op de schrijfvaardigheid. Gedurende de cursus wordt tijdens twaalf lessen een algemene schrijfstrategie aangeleerd, waarbij het schrijfproces in zeven stappen wordt opgedeeld. Daarnaast rust de cursus op twee didactische hoofdpijlers: observerend leren en peer-interactie. Bij het uitvoeren van dit praktijkgerichte interventieonderzoek is gekozen voor een switching replications design, waarbij de interventie twee keer werd beproefd. Vijf docenten Nederlands hebben alle teksten beoordeeld op globale tekstkwaliteit. De resultaten tonen dat de kwaliteit van teksten van leerlingen die de cursus volgen, significant meer verbetert dan die van leerlingen die traditioneel schrijfonderwijs krijgen.

Een synopsis van schrijfonderwijsonderzoek in Nederland en Vlaanderen: waar staan we en waar willen we naartoe?
E. Van Steendam

Deze discussie is een kritische reflectie op zes onderzoekartikelen over schrijfonderwijsonderzoek in Nederland en Vlaanderen. De artikelen onderzoeken ofwel (1) het effect van leerder- of taakkenmerken op het schrijfproces en/of -product, (2) de impact van strategiegerichte instructieprogramma’s in het schrijfonderwijs in de lagere school en het secundair onderwijs of ze vergelijken (3) verschillende tekstbeoordelingsmethoden. Na de studies te positioneren in twee onderzoeksdesignmodellen (cf. Rijlaarsdam, 2017), zet ik hun (methodologische) troeven in de kijker en bespreek ik welke nieuwe inzichten ze bieden voor het schrijfonderwijs. Die vaak rijke inzichten zijn erg gevarieerd en gaan van tekstbeoordeling via paarsgewijze vergelijking tot effectieve strategiegerichte schrijfinstructie. Ze bieden talrijke aanknopingspunten voor verder onderzoek en nodigen ook uit tot een reflectie op de richting die het Vlaamse en Nederlandse schrijfonderwijsonderzoek zou kunnen uitgaan. Die richting zou enerzijds een doorgedreven differentiatie naar leerder- en taakkenmerken en instructiecomponenten kunnen inhouden. Anderzijds kan de studie van leer- en schrijfprocessen met bijvoorbeeld toets- of oogbewegingsregistratie verder externaliseren en verklaren wat in het hoofd van de schrijver en de leerder gebeurt en op die manier handvatten bieden voor gedifferentieerd schrijfonderwijs.

De rol van executieve functies bij de ontwikkeling van schrijfvaardigheid
E. Drijbooms, M. A. Groen, L. Verhoeven

Uit onderzoek blijkt dat executieve functies (EF) belangrijke voorspellers zijn van schoolprestaties. EF zijn neuropsychologische processen die de zelfregulatie van denken en ge- drag ondersteunen. Ondanks de uitgebreide literatuur over de relatie tussen EF en schoolse prestaties in de hogere jaren van de basisschool, is de rol van EF bij schrijfvaardigheid nog nauwelijks empirisch bestudeerd. In deze longitudinale studie werd daarom onderzocht hoe EF bijdragen aan de ontwikkeling van schrijfvaardigheid in de bovenbouw van de basisschool. Op twee meetmomenten (in groep 6 en in groep 8) werd er aan leerlingen gevraagd om een verhaal te schrijven op basis van plaatjes. Bovendien werden in groep 6 ook de EF van deze leerlingen gemeten. Uit de resultaten bleek dat EF op een directe manier bijdragen aan de kwaliteit van de geschreven verhalen in groep 6. Daarnaast toonden de resultaten aan dat EF ook indirect gerelateerd zijn aan schrijfvaardigheid, doordat automatisering van handschrift de relatie tussen EF en de kwaliteit van de geschreven verhalen medieert. Bovendien bleken EF in groep 6 ook de basis te leggen voor de ontwikkeling van syntactische complexiteit van geschreven teksten tegen het einde van de basisschool in groep 8. De theoretische implicaties van deze resultaten worden besproken en vertaald naar praktische adviezen voor het schrijfonderwijs.