Pedagogische Studiën — Jrg. 97 (november 2020) nr. 4

263 De predictieve kracht van schooladviezen voor het voortgezet onderwijs
M.A. Dijks, M.J. Warrens, E. Fleur, H. Korpershoek, I.J.M. Wichgers, R.J. Bosker
In de overgang van het basis- naar het voortgezet onderwijs worden twee indicatoren gehanteerd voor de plaatsing in het voortgezet onderwijs: het schooladvies van de leerkracht en een gestandaardiseerde toets. Welke indicator het beste werkt om leerlingen te plaatsen is een doorgaande discussie onder onderwijs- onderzoekers en professionals. Sinds 2015 wordt de gestandaardiseerde toets afgenomen nadat de schooladviezen gegeven zijn, terwijl dit voor 2015 andersom was. De huidige studie onderzoekt in welke mate het schooladvies en de Centrale eindtoets de onderwijspositie in het derde leerjaar van het voortgezet onderwijs voorspellen voor meerdere cohorten voor en na 2015. De resultaten zijn vergeleken voor de verschillende onderwijsniveaus en SES-groepen. Hiervoor zijn meerdere steekproeven die populatiedata benaderen gebruikt. Voor alle onderwijsniveaus en SES-groepen geldt dat het schooladvies een betere voorspeller is voor de onderwijspositie in jaar 3 dan de Centrale eindtoets. Grote differentiële effecten voor SES werden gevonden. De verandering in volgorde van het schooladvies en de afname van de Centrale eindtoets had geen effect op deze conclusies. De resultaten van dit onderzoek geven nieuwe inzichten in de predictieve waarde van de schooladviezen en de Centrale eindtoets voor en na 2015.

281 Lezen en antwoorden bij teksten met vragen Een cross-sectionele eye-trackstudie onder 52 vwo- leerlingen
P. Rooijackers, G. van Silfhout, U. Schuurs, I. Mulders, H. van den Bergh 
In Nederland traint men vaak tekstbegrip met een tekst met vragen. Daarbij bestuderen leerlingen vooraf een tekst en beantwoorden vervolgens vragen, waarbij de tekst raadpleegbaar blijft. Bij deze taak werden verschillen in leesgedrag onderzocht tussen vwo 2-, vwo 4- en vwo 6- leerlingen. Via oogbewegingenregistratie en retrospectieve interviews werd onderzocht in hoeverre jongere en oudere vwo-leerlingen in lees- en antwoordgedrag verschillen en hoe het vooraf lezen van een tekst in deze jaarlagen de erop volgende vraagbeantwoording beïnvloedt. De resultaten: bij de tekstbestudering vooraf doorbraken deelnemers slechts zelden het lineaire leespatroon; ze schonken aan kernzinnen nipt meer leestijd. Zesdeklassers en vierdeklassers lazen beduidend sneller dan tweedeklassers, maar zesdeklassers niet sneller dan vierdeklassers. Bij de vraagbeantwoording lokaliseerden zesdeklassers beter het antwoord in de tekst en antwoordden vaker correct dan tweedeklassers en (in mindere mate) vierdeklassers. In interviews gaven deelnemers aan bij vragen doorgaans te weten waar het antwoord in de tekst stond, maar nog geen (concept)antwoord paraat te hebben. Deelnemers vertoonden ogenschijnlijk sterk pragmatisch leesgedrag. De vraag wordt opgeworpen in hoeverre deze taak oppervlakkig lezen in de hand werkt en of andere taken niet beter zelfstandig ‘diep lezen’ kunnen bewerkstelligen.

309 Hoe taken en takken elkaar beïnvloeden: De invloed van parallelvormen op spelling
S. Drijver, M. van den Boer, E.H. de Bree
Dit onderzoek betreft twee spellingpatronen die lastig te leren zijn en invloed kunnen hebben op elkaar: de spelling van meervouden met lange klinkers (teen, tenen) en korte klinkers (taS, tassen). Sommige woorden met deze patronen kunnen gezien worden als een parallelvorm (takken, taken), maar andere niet (tenen, tassen). Om te kijken of het bestaan van een dergelijke parallelvorm de spelling van woorden met deze patronen beïnvloedt, werd aan kinderen in groep 5 en 7 een dictee of een keuzetaak voorgelegd. Deze taken bevatten woorden met lange klinkerspelling met en zonder parallelvorm en woorden met medeklinkerverdubbeling met en zonder parallelvorm. Uit de resultaten bleek dat de spellinguitkomsten in groep 7 beter waren dan in groep 5, dat woorden met medeklinkerverdubbeling beter werden gespeld dan woorden met een lange klinker en dat er betere spellinguitkomsten waren voor het dictee dan de keuzetaak. De hoofdbevinding is dat spelling moeilijker is als er parallelvormen (taken, takken) worden bevraagd, dan wanneer het gaat om woorden zonder parallelvorm (tenen, tassen). Deze resultaten passen bij het beeld dat impliciet opgedane orthografische kennis spelling van woorden beïnvloedt. Succesvolle spellinginstructie moet expliciet aandacht besteden aan parallelvormen bij de instructie en oefening van deze spellingpatronen.

324 Discussiebijdrage Schoolverschillen en schooleffecten in het voorgezet onderwijs
K. Lek, R.C.W. Feskens, J. Scheerens
Op basis van PISA-onderzoek (2015 en 2018) concludeerden o.a. de Inspectie van het Onderwijs dat verschillen tussen Nederlandse scholen in het voortgezet onderwijs “zorgwekkend groot” zijn. Deze conclusie is gebaseerd op de zogenaamde ‘intra-klasse correlatie coëfficiënt’. Echter, het in kaart brengen van verschillen in kwaliteit tussen scholen is veel complexer en genuanceerder dan de intra-klasse correlatie vergelijking op basis van PISA data doet vermoeden. In deze discussiebijdrage gaan we in op de beperkingen van de intra-klasse correlatie en bespreken we enkele alternatieve indicatoren. Deze alternatieve indicatoren zijn bedoeld om in kaart te brengen in welke mate verschillen zijn toe te schrijven aan door de school beïnvloedbare factoren, dan wel door gegeven achtergrond- en contextkenmerken. Voor elk van deze indicatoren wordt de intra-klasse correlatie – die “bruto”, all-in schoolverschillen uitdrukt – verder ‘ontrafeld’ om zo “netto” schooleffecten in beeld te kunnen brengen. De discussiebijdrage bevat illustraties van elk van de alternatieven in de context van internationaal vergelijkend assessment onderzoek. Daarnaast wordt het nut van de intra-klasse correlatie en elk van de alternatieven besproken in het licht van beleids- en praktijkgerichte beslissingen.