Pedagogische Studiën — Jrg. 91 (april 2014) Nr. 2

 82  Structurele ondersteuning aan kleuters met een achterstand in getalbegrip
S.W.M. Toll en J.E.H. van Luit
Kleuters met een benedengemiddeld getalbegrip vormen een risicogroep voor het ontwikkelen van rekenproblemen in de latere schooljaren. Vroege interventie kan hen helpen om met een zelfde niveau als hun klasgenoten te starten aan de formele rekenactiviteiten in groep 3 (in Vlaanderen: klas 1). In dit onderzoek wordt de vraag beantwoord of een specifiek daartoe ontwikkeld remediërend programma voor kleuterrekenen hiervoor een effectieve manier is. Tevens wordt nagegaan in hoeverre de lengte van de interventie invloed heeft op de effectiviteit en in hoeverre de beheersing van specifieke rekentaal en werkgeheugen een rol spelen bij de vooruitgang die kinderen boeken tijdens de 1½ jaar durende interventieperiode. Benedengemiddeld scorende kleuters zijn op basis van aselecte toewijzing ingedeeld in een controleconditie of één van de twee interventiecondities. Het onderzoek wijst uit dat zowel de lange als korte interventie effectief is om getalbegrip te bevorderen, maar dat de kinderen in de lange interventieconditie meer vooruit gaan. Bovendien blijkt dat zowel kennis van specifieke rekentaal als een goed ontwikkeld werkgeheugen een positief effect hebben op de vooruitgang van kinderen.

97  De invloed van affectieve leraar-leerlingrelaties op het schools leren van leerlingen: Verschillen tussen basis- en voortgezet onderwijs
D.L. Roorda, H.M.Y. Koomen, J.L. Spilt en F.J. Oort
Door middel van meta-analyse werd onderzocht hoe groot het verband is tussen affectieve leraar-leerlingrelaties in het schools leren van leerlingen in het basisonderwijs (BO) en voortgezet onderwijs (VO). Met betrekking tot affectieve kwaliteit werd apart aandacht besteed aan positieve (bijv. nabijheid) en negatieve aspecten van de relatie (bijv. conflict). Met betrekking tot leren werd onderscheid gemaakt tussen de schoolse betrokkenheid van leerlingen en het feitelijke presteren. De studie is gebaseerd op 63 studies in het BO (24385 leerlingen) en 31 studies in het VO (85197 leerlingen). Afzonderlijke meta-analyses zijn uitgevoerd voor positieve aspecten en betrokkenheid, negatieve aspecten en betrokkenheid, positieve aspecten en leerprestaties en negatieve aspecten en leerprestaties. De verbanden tussen positieve aspecten en betrokkenheid en positieve aspecten en prestaties waren sterker in het VO, terwijl de verbanden tussen negatieve aspecten en betrokkenheid en negatieve aspecten en prestaties sterker waren in BO. Onverwachts waren de verbanden tussen leraar-leerlingrelaties en schools leren sterker voor oudere dan voor jongere leerlingen. De resultaten voor het VO leverden een sterkere ondersteuning voor de academisch-risico theorie dan de resultaten voor het BO.

113 Leerlingpercepties en wiskundeprestaties: Een grootschalig onderzoek in het Vlaamse basisonderwijs naar het wiskundig zelfconcept, de inzet voor wiskunde en het schoolwelbevinden van leerlingen in relatie tot hun wiskundig functioneren.
F. Depaepe, C. Lamote, G. Vanlaar, J.P. Verhaeghe, L. Verschaffel en J. Van Damme
Deze bijdrage heeft tot doel wiskundeprestaties en geboekte leerwinst voor wiskunde in de bovenbouw van het basisonderwijs te verklaren door middel van leerlingpercepties inzake (wiskunde)leren (m.n. wiskundig zelfconcept, inzet voor wiskunde en schoolwelbevinden), rekening houdend met een aantal achtergrondkenmerken (m.n. geslacht, socio-economische status en voorafgaande schoolse vertraging). We baseren ons op een dataset van 2719 leerlingen uit 179 klassen in 113 scholen, die representatief is voor het Vlaamse basisonderwijs. Bij elke leerling werd op het einde van het vierde en het vijfde leerjaar een leerlingperceptievragenlijst en een wiskundetoets afgenomen. Multiniveauanalyses tonen aan dat meisjes, leerlingen met een lage socio-economische status, voorafgaande schoolse vertraging, laag wiskundig zelfconcept en gepercipieerde hoge geleverde inspanning voor wiskunde significant slechter presteren voor wiskunde op het einde van het vierde leerjaar. Op de leerwinst op het einde van het vierde en van het vijfde leerjaar had alleen vroegere schoolse vertraging een negatief effect.

131 Self-study onderzoek door lerarenopleiders onder de loep. Een internationale literatuurstudie.
E. Vanassche en G. Kelchtermans
Dit artikel doet verslag van een internationale literatuurstudie naar self-study onderzoek door lerarenopleiders. Via het zelf onderzoeksmatig analyseren van de opleidingspraktijk door middel van self-study, willen lerarenopleiders hun professionele expertise expliciteren en toetsen en zo tegelijkertijd bijdragen tot theorievorming over het opleiden van leraren. Op basis van een analyse van de onderzoeksliteratuur, omschrijven we self-study als het onderzoek naar de eigen praktijk door lerarenopleiders dat de volgende kenmerken heeft: self-study onderzoek focust op de eigen praktijk: om die reden privilegieert ze kwalitatieve onderzoeksmethoden; het onderzoeksproces is interactief; en trustworthiness primeert in het beoordelen van haar onderzoekskwaliteit. Deze samenhangende, en deels overlappende, kenmerken karakteriseren self-study als een specifieke methodologie die lerarenopleiders gebruiken om hun eigen praktijk te onderzoeken en onderscheiden haar tegelijkertijd van verwante benaderingen. Vervolgens zetten we het empirische self-study onderzoek af tegen haar dubbele ambitie van praktijkoptimalisering en theorieontwikkeling en formuleren we twee spanningen die expliciet aandacht verdienen omdat ze de uiteindelijke waarde van self-study onderzoek kunnen ondermijnen: de spanning tussen effectiviteit en inzicht. Op basis van de resultaten van deze literatuurstudie ontwikkelen we tot slot een concreet perspectief op de mogelijkheden van self-study onderzoek in de Vlaamse en Nederlandse opleidingscontext.