Pedagogische Studiën — Jrg. 97 ( oktober 2020) nr. 3

146 Vaktaalontwikkeling bij het verklaren van drijven en zinken: een ontwerpstudie naar denkstappen 
J. Smit, M.A.R. Gijssel, A. Bakker
Het W&T-onderwijs op de basisschool kent verschillende uitdagingen, die we in deze ontwerpstudie aangaan door begrips- en (vak)taalontwikkeling tegelijkertijd te onder- steunen. Daartoe ontwikkelden we een taalgerichte lessenserie die het leren verklaren van drijven en zinken, en de daartoe benodigde denkstappen, tot doel had. Deze studie evalueert hoe de kwaliteit van de verklaringen en het vaktaalgebruik in de denkstappen zich ontwikkelden. Met een schriftelijke voor- en nameting scoorden we verklaringsniveaus van 21 leerlingen (10–11 jaar) en stelden we een significante vooruitgang in de kwaliteit van verklaringen vast. De ontwikkeling van drie meertalige gevalsstudieleerlingen werd nader geanalyseerd met transcripten van interviewdata die na elk van de zes lessen werden verzameld. De interviewvragen richtten zich op het verklaren van drijven en zinken. Eerst werden de niveaus van de verklaringen van drijven en zinken gescoord. Vervolgens werd de vaktaalontwikkeling beschreven. De verklaringsniveaus en de vaktaalontwikkeling gingen niet altijd gelijk op. Uit een cross case-analyse bleek verder een toegenomen frequentie en variatie in gebruik van vaktaalwoorden, en een verschuiving naar wetenschappelijk adequatere verklaringen. Deze studie levert een proof of principle van de mogelijkheid om tegelijkertijd de kwaliteit van verklaringen en (vak)taalontwikkeling te bevorderen tijdens een taalgerichte lessenserie waarin het idee van denkstappen centraal staat.

163 Binnenklasdifferentiatie in de praktijk: leerkrachten hun denken en handelen
Gheyssens, E. Consuegra, S. Vanslambrouck, N. Engels, K. Stryven
Binnenklasdifferentiatie (BKD) wordt voorgesteld als een pedagogische benadering om inclusief onderwijs te creëren en wordt beschouwd als zowel een onderwijsfilosofie als een onderwijspraktijk. BKD vereist dat leerkrachten hun onderwijs aanpassen aan de interesses, leerstatus en leerprofielen van de leerlingen door gedifferentieerde praktijken zoals samen- werkingsvormen en formatieve evaluatie toe te passen. Verschillende studies rapporteren echter uitdagingen wanneer leerkrachten differen tiërende praktijken implementeren. Aan de hand van verschillende methoden onderzoekt deze studie in welke mate gedifferentieerde praktijken worden toegepast door leerkrachten in het basisonderwijs in Vlaanderen (België). De gegevens werden verzameld aan de hand van drie dataverzamelingsmethoden die onderling vergeleken worden: zelf gerapporteerde vragen- lijsten van leerkrachten (N=513), geobserveerde klaspraktijken en interviews met 14 leerkrachten. De resultaten tonen aan dat er niet altijd congruentie is tussen de geobserveerde en de zelf gerapporteerde praktijken. Bovendien brengt deze studie in kaart wat leerkrachten aanmoedigt of ontmoedigt om gedifferentieerde praktijken toe te passen. Onder andere bezorgdheid over de impact op leerlingen en het schoolbeleid worden door de leerkrachten aangeduid als een belemmering voor het toepassen van gedifferentieerde praktijken in de klaslokalen.

187 Syntheseschrijven in het hoger secundair onderwijs in Nederland in kaart gebracht Een nationale peiling naar tekstkwaliteit, schrijfproces en schrijverskenmerken
N. Vandermeulen, S. De Mayer, E. Van Steendam, M. Lesterhuis, H. van den Bergh, G. Rijlaarsdam
Het schrijven van een synthesetekst – een tekst waarin informatie uit verschillende bronnen geïntegreerd wordt – maakt deel uit van het curriculum in het Nederlandse vwo-onderwijs. Deze studie bestaat uit een nationale peiling naar de synthesevaardigheid in de drie hoogste leerjaren van het vwo. Het doel van deze studie was om drie aspecten van syntheseschrijven in kaart te brengen: tekstkwaliteit, schrijfproces en leerlingperspectief op schrijven. Een representatieve steekproef van 658 leerlingen nam deel; elke leerling schreef vier teksten. Teksten werden beoordeeld met behulp van tekstschalen met benchmarks; het schrijfproces werd geregistreerd met keystroke logging; en de perspectieven van de leerlingen op schrijven werden gemeten met een vragenlijst. Via multilevel analyses gingen we het effect van leerjaar, geslacht en tekstgenre (argumentatieve/ informatieve synthese) na op tekstkwaliteit en schrijfproces, en het effect van leerjaar en geslacht op de perspectieven. Deze nationale peiling is een beschrijvend onderzoek dat inzicht biedt in de huidige stand van zaken omtrent syntheseschrijven: hoe presteren leerlingen op synthesetaken?, hoe schrijven ze syntheseteksten?, en wat zijn hun perspectieven op het schrijven van een synthesetekst? Bovendien dient deze studie ook als baseline voor toekomstig onderzoek.

237 Objecten zijn wel een ding: de rol van (grens)objecten in samenwerkingen tussen onderzoekers en onderwijsprofessionals
L.H. Bronkhorst, B.G.J. Wansink, I. Zuiker
Het welslagen van een samenwerking tussen onderwijsprofessionals en onderzoekers wordt gewoonlijk toegeschreven aan structurele condities, zoals tijd en middelen, of de kwaliteit van de interacties tussen betrokkenen. Weinig aandacht is er voor hetgeen waaraan of waarmee samengewerkt wordt, terwijl uit andere disciplines bekend is dat deze zogeheten objecten de samenwerking mediëren. Of en hoe dat in samenwerkingen tussen onderwijsprofessionals en onderzoekers het geval is, verkennen we met een kwalitatieve analyse van 49 casussen uit de internationale peer-reviewed literatuur. Hieruit blijkt dat er in elke samenwerking aan en/of met één of meerdere objecten gewerkt wordt, door ons gecategoriseerd als: probleemstelling, curriculum, lespraktijk, leerling, theorie, instrument, valorisatie, en samenwerking. We onderscheiden vervolgens vier verschillende manieren van object-gemedieerd werken: samenwerken aan een gedeeld object, onderwijsprofessionals begeleiden bij een praktijkrelevant object, benutten van een door onderzoekers ontwikkeld object en in verschillende praktijken werken met een grensobject. Hoewel deze manieren ieder op eigen wijze productief kunnen zijn, stroken ze niet altijd met de intenties van samenwerken. Meer aandacht voor objecten in bestaande en toekomstige samenwerkingen lijkt daarmee wenselijk.