Pedagogische Studië‘n — Jrg. 90 (oktober 2013) Nr. 5

Thema: ZITTENBLIJVEN

3 Inleiding themanummer zittenblijven
B, De Fraine, H. Luyten & S. Karsten

4 Overtuigingen als sleutel om zittenblijven te begrijpen en terug te dringen
G. Juchtmans & A. Vandenbroucke
Een kwalitatieve analyse van overtuigingen over zittenblijven in Vlaamse scholen. Het hoge aantal zittenblijvers in Vlaanderen staat op gespannen voet met de resultaten van empirische studies (zie ook in dit nummer) die stellen dat zittenblijvers negetieve langetermijneffecten heeft op het academisch en pshychosociaal functioneren van leerlingen. Deze bijdrage tracht deze discrepantie tussen praktijk en empirische ‘evidentie’ te verklaren door een kwalitatief empirische analyse naar de verschillende soorten overtuigingen over zittenblijven en de wijze waarop deze overtuigingen een rol spelen in het beslissingsproces in scholen. De analyse steunt daarbij op kwalitatieve interviews in twee basisscholen en drie secundaire scholen. Uit deze analyse blijkt dat de overtuigingen van Vlaamse leraren en directies niet eenduidig en in alle situaties zittenblijven legitimeren, maar dat het verlangen van leraren naar cognitief gemak, persoonlijke ervaringen die zittenblijven in een positief daglicht stellen en onderwijsovertuigingen over leren en evalueren, die ook door het onderwijssysteem ondersteund worden, een belangrijke rol spelen in het beslissingsproces en overtuigingen pro zittenblijven in scholen mee kunnen vormgeven.

17 Effecten van zittenblijven in het basis- en secundair onderwijs in kaart gebracht: Een systematische literatuurstudie
M. Goos, B. Belfi, B. De Fraine, J. Van Damme, P. Onghena & K. Petry
D.

31 Verschillen tussen scholen op het gebied van zittenblijven
G. Reezigt, M. Swanborn & B. Vreeburg
In internationale vergelijkingen laat Nederland bovengemiddeld veel zittenblijvers zien, al zijn het er minder dan in de vorige eeuw. Gezien de ongunstige effecten van zittenblijven in het cognitieve en affectieve domein is dit geen wenselijke situatie. Onderzocht is hoe vaak zittenblijven in het Nederlandse basisonderwijs en het voortgezet onderwijs voorkomt, waarbij de aandacht vooral uitgaat naar verschillen tussen scholen en verklaringen daarvoor. Hiervoor zijn logische meerniveau regressieanalyses uitgevoerd op BRON-bestanden (populatie-gegevens op leerlingniveau ten behoeve van de bekostiging van het onderwijs). In het basisonderwijs is gewerkt met de proxy-variabele ‘vertraging’, in het voortgezet onderwijs is ‘doorstroomfalen’ onderzocht (zittenblijven en afstroom). Zittenblijven komt relatief vaak voor bij jongens, bij leerlingen uit de lagere sociale milieus en bij niet-westers allochtone leerlingen. Sommige scholen hebben in het geheel geen zittenblijvers, bij andere scholen loopt een kwart tot de helft van de leerlingen vertraging op. Kenmerken als de schoolgrootte of de samenstelling van de leerlingbevolking verklaren wel iets, maar niet veel. Verder onderzoek naar het beleid van scholen en de kwaliteit van het onderwijs is dan ook nodig. Zittenblijven is nu een weinig prominent thema in beleid en onderzoek. Gezien de grote verschillen tussen scholen, de omvang van het zittenblijven en het gebrek aan effectiviteit is dit niet terecht.

45 Leerachterstanden van vertraagde leerlingen op normaalvorderende leeftijdgenoten
H. Luyten, L. Staman & A. Visser
Deze bijdrage brengt de achterstand in kaart van vertraagde leerlingen op normaalvorderende leerlingen in groep 4 van het Nederlandse basisonderwijs voor Technisch Lezen, Spelling en Rekenen-Wiskunde. Zowel de achterstand van vertraagde leerlingen in hetzelfde leerjaar als die van vertraagde leeftijdgenoten in groep 3 worden gerapporteerd. Daarnaast is onderzocht in hoeverre verschillen tussen vertraagde en normaalvorderende leerlingen van dezelfde leeftijd kunnen worden toegeschreven aan een verlengde kleuterperiode. Met propensity score matching zijn vergelijkbare groepen van vertraagde en niet-vertraagde leerlingen samengesteld. De prestaties van vertraagde leerlingen blijven duidelijk achter bij die van hun klasgenoten, maar nog veel meer bij die van leeftijdgenoten in hogere leerjaren.

58 Effecten van zittenblijven in de derde kleuterklas op de wiskundegroei: Een propensityscore-stratificatie-analyse
M. Vandecandelaere, G. Vanlaar, M. Goos, B. De Fraine & J. Van Damme
In Vlaanderen doet ongeveer 4% van alle kleuters de derde kleuterklas opnieuw. Door middel van een propensityscore-stratificatie-analyse werden de effecten van zittenblijven in de derde kleuterklas op de groei in wiskunde doorheen het lager onderwijs onderzocht. Er werd gebruik gemaakt van de data van een grootschalig, longitudinaal onderzoek in Vlaanderen, namelijk het project ‘Schoolloopbanen in het basisonderwijs’ (SiBO). Er kan geconcludeerd worden dat zittenblijvers op het einde van het bisjaar beduidend lager scoren dan vergelijkbare leeftijdsgenoten die overgingen naar het eerste leerjaar. Op 10-jarige leeftijd is prestatieverschil tussen beide groepen verminderd tot minder dan de helft. Toch zouden zittenblijvers gedurende hun ganse loopbaan in het lager onderwijs, gemiddeld genomen, hoger hebben gescoord voor wiskunde, waren ze toch overgegaan naar L1. Uit de resultaten blijkt vorots dat leerlingen die blijven zitten in de derde kleuterklas en equivalente leerlingen die later in hun lagere schoolloopbaan blijven zitten, vijf jaar na de treatment gelijk scoren voor wiskunde. Dat betekent dat het tijdstip van zittenblijven niet uitmaakt voor wat betreft de wiskundescores op 10-jarige leeftijd.

74 Langetermijneffecten van zittenblijven en afstromen op opleidingsniveau, participatie in levenslang leren en de beroepscarrire
H. Knipprath
De langetermijneffecten van zittenblijven en afstromen werden tot nu toe nauwelijks onderzocht. Daarom wordt in dit artikel aandacht besteed aan de effecten van zittenblijven en afstromen dat een veel gebruikt alternatief vormt voor zittenblijven in het secundair onderwijs, op opleidingsniveau, participatie in levenslang leren en de beroepscarrire. Op basis van Vlaamse longitudinale data wordt vastgesteld dat jongeren die minstens ŽŽn keer zijn blijven zitten in het basis- of secundair onderwijs of afgestroomd zijn, een lager opleidingsniveau behalen dan normaalvorderenden. Zittenblijven en afstromen oefenen via dit opleidingsniveau een onrechtstreeks effect uit op de aanvang van de arbeidsloopbaan en participatie aan levenslang leren. Zittenblijven en afstromen hebben ook een rechtstreeks effect op arbeidsmarktuitkomsten op 29-jarige leeftijd. Zowel zittenblijven en afstromen hebben dus een blijvende impact op het leven na school.

89 Opstaan tegen zittenblijven: Om moe van te worden
W. Meijnen
Zittenblijven in het basis- en voortgezet onderwijs is in Nederland en Belgi‘ een veel voorkomend verschijnsel. Er is in de loop der jaren geen merkbare terugloop in de percentages waar te nemen. Zittenblijven vormt de tussenstap tussen extra hulp binnen de klas en verwijzen naar het speciaal (basis-)onderwijs. Bij veel leerkrachten leeft de verwachting dat van een jaar overdoen de leerling niet alleen op korte termijn profiteert maar ook in de verdere schoolloopbaan. Internationaal onderzoek en de publicaties in dit nummer wijzen daar niet op. Er wordt dus tijd verspild. Onderwijskundigen verwachten dat meer onderwijs op maat, ook wel adaptief onderwijs genoemd, een grote bijdrage kan leveren aan de oplossing van het probleem. Onderzoek van de Onderwijsinspectie in Nederland toont aan dat leerkrachten daar niet goed in zijn. Bovendien vraagt adaptief onderwijs ook om veranderingen op schoolniveau qua instructie en groeperingsvormen. Het schoolconcept zal door het gehele leerkrachtenteam opnieuw moeten worden doordacht. Centraal geformuleerde eindtermen zorgen bovendien voor extra druk op de ketel. Het verschijnsel zittenblijven zal voorlopig niet verdwijnen. In 1970 publiceerde Klaas Doornbos de SVO-nota ‘Opstaan tegen het zittenblijven’. Hij werd later hoogleraar orthopedagogiek en een van de ‘founding fathers’ van het beleidsprogramma Weer Samen Naar School (WSNS). Zijn belangrijkste empirische bevinding was dat ‘vroege’ leerlingen die destijds aan de basisschool begonnen, vaker bleven zitten dan ‘late’ leerlingen. Het leerlingjaarklassensysteem met een gefixeerde toelatingsdatum was volgens hem daar debet aan. De voor de hand liggende oplossing moest derhalve volgens hem worden gezocht in een meer flexibele organisatie en didactiek van de lagere school.