Pedagogische Studië‘n — Jrg. 90 (januari 2013) Nr. 1

3 Belangrijke stappen en feiten voor Pedagogische Studië‘n
VAN DE REDACTIE


5 Professor dr. Wynand Wijnen (1934-2012)
IN MEMORIAM
Henk Smidt
Op 21 november 2012 overleed op 78-jarige leeftijd Prof. Dr. Wynand Wijnen, onderwijsvernieuwer.

7 Formatieve lessen uit peilingsonderzoek: de toegevoegde waarde van mixture IRT-modellen (
item response theory)
D. Van Nijlen & R. Janssen
Sinds 2002 worden in Vlaanderen peilingen georganiseerd. Zij vormen een cruciaal element in de kwaliteitscontrole voor het Vlaamse onderwijs. Peilingsonderzoek wordt voornamelijk uitgevoerd om summatief een uitspraak te doen over het onderwijsniveau: hoeveel leerlingen bereiken op het einde van een onderwijsniveau de minimumdoelstellingen voor een bepaald domein? Beleidsmakers en het onderwijsveld willen echter ook meer formatieve lessen uit deze peilingsonderzoeken kunnen trekken. Welke specifieke thema’s leveren problemen op voor bepaalde studenten? En wie zijn deze studenten? In deze paper wordt ge•llustreerd hoe mixture IRT-modellen een belangrijke aanvulling kunnen vormen op de traditionele rapportering over peilingsonderzoek. Zij bieden de mogelijkheid op een inhoudelijk zinvolle manier subgroepen van leerlingen te onderscheiden en hieruit lessen te trekken over waar er zich specifieke problemen voordoen. Dit wordt ge•llustreerd op basis van data uit de Vlaamse peiling wiskunde in de eerste graad secundair onderwijs A-stroom in 2009. Uit de analyses blijkt dat twee groepen leerlingen specifieke problemen ondervinden bij werken met veel termen. EŽn groep ondervindt specifiek problemen bij het werken met merkwaardige producten, een andere groep blijkt enkel basisopgaven met betrekking tot eerstegraads vergelijkingen enigszins onder de knie te hebben. Telkens gaat het om ongeveer ŽŽn de derde van de leerlingen.

21 Persoonlijkheid, self-efficacy, disciplineringsstrategie‘n en de leerkracht-leerlingrelatie bij leerkrachten in opleiding
R. J. de Jong, J. van Tartwijk, N. Verloop, I. Veldman & T. Wubbels
Een positief klasklimaat en een positieve leerkracht-leerlingrelatie zijn zowel voor de leerkracht, als voor de leerlingen wenselijk. Beginnende leerkrachten en lio’s (leerkrachten in opleiding) geven aan hier veel moeite mee te hebben, en het wordt dientengevolge vaak genoemd als reden om het vak te verlaten. Vandaar de vraag: wat kenmerkt de lio die er in slaagt een positieve leerkrachtleerlingrelatie op te bouwen? Onderzochte variabelen in relatie tot deze vraag zijn self-efficacy (met betrekking tot klassenmanagement, leerlingbetrokkenheid en instructiestrategie‘n), persoonlijkheidstrekken (extraversie en vriendelijkheid), en disciplineringsstrategie‘n (sensitief, directief en agressief). 120 lio’s hebben vragenlijsten ingevuld over self-efficacy (Tschannen-Moran & WoolfolkHoy, 2001) en persoonlijkheidstrekken (Branje, van Lieshout, & Gerris, 2007). Hun leerlingen hebben vragenlijsten ingevuld over de manier van disciplineren van de lio (Lewis, 2001) en over de leerkracht-leerlingrelatie in termen van invloed en nabijheid (CrŽton & Wubbels, 1984). Vriendelijkheid hing positief samen met nabijheid, en self-efficacy bleek een significante voorspeller van de leerkracht-leerlingrelatie en sensitieve disciplineringsstrategie‘n. Dit laatste verband was echter afhankelijk van het moment waarop de lio met de opleiding was gestart (september of januari). Van alle onderzochte variabelen bleken disciplineringsstrategie‘n de meeste verklaringskracht te hebben met betrekking tot de variantie op de leerkracht-leerlingrelatie.

40 Een analyse van leiderschapspraktijken op bovenschoolse niveau vanuit een micropolitiek perspectief
L. Piot & G. Kelchtermans
In dit artikel bestuderen we leiderschapspraktijken op bovenschools niveau. Hiertoe gebruiken we de micropolitieke theorie, die stelt dat organisatieleden handelen vanuit hun belangen. Op basis van kwalitatief-interpretatieve gevalsstudies van vier scholengemeenschappen besluiten we dat de belangen van directeurs op bovenschools niveau enerzijds betrekking hebben op de school als organisatie (schoolbelangen) en anderzijds op de persoon van de directeur (individuele belangen). Het balanceren van deze verschillende belangen ligt aan de basis van het (micropolitiek) handelen van directeurs en verklaart (mede) hoe leiderschapspraktijken op bovenschools niveau vorm krijgen. Directeurs schatten in welke belangen verwezelijkt dan wel bedreigd worden door initiatieven op bovenschools niveau. Cultureel-ideologische schoolbelangen -in het bijzonder het bewaken en bewaren van de eigenheid van de school- krijgen hierbij steeds het grootste gewicht. Indien deze bedreigd worden, trekt men zich geheel of gedeeltelijk terug uit de bovenschoolse organisatie.

57 De opleiding Onderwijskunde aan vijf Nederlandse universiteiten anno 2012: Klaar voor de toekomst?
NOTITIE
J. van Merri‘nboer, P. van Petegem, J. Elen, T. Hoogerwaard, S. Langerak, R. H. Mulder, P. Smits, M. Valcke & B. Zandsteeg
Dit ‘state-of-the-art rapport’ beschrijft de bevindingen van de visitatiecommissie Onderwijskunde met betrekking tot de kwaliteit van de opleidingen Onderwijskunde aan vijf Nederlandse universiteiten anno 2012. De commissie beschrijft in dit rapport de stand-van-zaken van de trends op basis van QANU-visitaties van de opleidingen Onderwijskunde die worden aangeboden door de Universiteit van Amsterdam, de Universiteit Utrecht, de Universiteit Twente, de Rijksuniversiteit Groningen en de Open Universiteit Nederland. De vijf instellingen bieden alleen een masteropleiding in de Onderwijskunde aan; Amsterdam, Utrecht, en Twente op het moment van de visitatie ook een bacheloropleiding. Het belangrijkste doel van dit artikel is om op basis van de geobserveerde stand-van-zaken en trends een antwoord te geven op de vraag of de opleidingen klaar zijn voor de toekomst en aanbevelingen te doen die de opleidingen meer duurzaam kunnen maken. De stand-van-zaken en de trends worden beschreven aan de hand van een achttal vragen: (1) Waartoe leiden de opleidingen Onderwijskunde op? (2) Welke studenten trekken zij aan? (3) Welke didactische concepten worden gehanteerd? (4) Hoe is de toetsing en beoordeling geregeld? (5) Hoe wordt internationalisering vorm gegeven? (6) Hoe zijn de curricula opgebouwd? (7) Hoe is de kwaliteitszorg geregeld? (8) Hoe toekomstbestendig zijn de opleidingen? Het artikel eindigt met een samenvatting van de belangrijkste aanbevelingen.