Pedagogische Studië‘n — Jrg. 90 (december 2013) Nr. 6

JUBILEUMNUMMER
Pedagogische Studië‘n (1919-1913)

3 Inleiding jubileumnummer
E.P.W.A. Jansen, S. Karsten & H. Van Keer

4 Pedagogische Studië‘n als platform voor (bijna) een eeuw van pedagogische wetenschap
I.M van Hilvoorde
Pedagogische Studië‘n (PS) heeft een cruciale rol gespeeld in de evolutie en afbakening van de onderwijswetenschap in Nederland. Dit artikel bediscussieert, met speciale aandacht voor een aantal sleutelfiguren (Gunning, Kohnstamm, Langeveld) en hoofdonderwerpen (zoals het meten van intelligentie), de vaak problematische relatie tussen wetenschap en praktijk. Vanaf het begin is pedagogie gezien als een ‘praktische wetenschap’. De betekenis van deze praktische benadering veranderde gedurende de geschiedenis van PS. Wat als ‘praktisch’ werd aangeduid kon betekenen dat de focus kwam te liggen op beschrijven en analyseren van de complexiteit van onderwijs, het kon duiden op de pretentie om het onderwijs ‘wetenschappelijke te funderen’, op de normatieve dimensie van onderwijs en opvoeding, de be•nvloeding van onderwijsprocessen en innovaties in scholen of, zoals meer recent, op het stimuleren van directe betrokkenheid van mensen uit de praktijk in het onderzoek. In tegenstelling tot andere interpretaties wordt de geschiedenis van PS hier niet voorgesteld als een lineair proces van academisering en verwetenschappelijking. Een constande factor in de geschiedenis van PS is de worsteling van de redactie met de paradox dat mensen uit de praktijk nodig zijn ter legitimering van de praktische waarde en tegelijkertijd een afbakening van diezelfde praktijk nodig is om wetenschappelijk autonoom en geloofwaardig te zijn.

16 Over de didactische waarde van de projectielantaarn en de bioskoop. Ingekorte herdruk 1923.
G. RŽvŽsz & J.P. Hazewinkel

27 Beweging en stilstand: anders en toch weer niet
J. Elen

31 Welke houding moet een vooruitstrevend onderwijzer aannemen tegenover nieuwe theorie‘n en praktijken? Herdruk 1925.
J.H. Gunning
Over dit zeer aangelegen onderwerp geeft de heer Stuart Grayson Noble eenige beschouwingen ten beste in de Educational Review van Mei 1923, die mij alleszins waardig voorkomen om ze hier in ietwat verkorte en vrije bewerking, maar die toch in hoofdzaak een vertaling is, weer te geven.

37 Ontwikkelen van adaptieve onderwijsexpertise: Het belang van gereedschap voor framing.
F. Janssen
Johannes Hermanus Gunning (1959-1951), de eerste door de rijksoverheid betaalde hoogleraar pedagogiek van Nederland, stelde in 1925 de vraag die nog immer actueel is: ‘Welke houding moet een vooruitstrevend onderwijzer aannemen tegenover nieuwe theorie‘n en praktijken?’. Terwijl Gunning het belang van deze vraag nog enigszins kon relativeren omdat Nederland destijds nog niet werd overspoeld met nieuwe onderwijskundige inzichten en praktijken, is dit nu zeker wel het geval.

42 Het meisje op zoek naar haar onderwijs. Herdruk 1947
Prof. Dr. M.J. Langeveld
Wie de geschiedenis van het onderwijs een ogenblik wil beschouwen als een gebied van verschijnselen, waarin ook de algemene paedagogische zienswijze van een tijd tot uitdrukking komt, zal opmerken, dat een onderwijsstelsel als het onze, sedert het begin van de 19de eeuw meer en meer homogeen gemaakt, nauwelijks enig spoor vertoont van een probleem der meisjesopvoeding.

50 Meisjes hebben hun onderwijs gevonden; nu de jongens nog
M. Volman
In 1946 verscheen in Pedagogische Studië‘n een artikel waarin (toenmalig redacteur) Martinus Langeveld zijn bezorgdheid uit over het onderwijs aan meisjes. Vanuit hedendaags perspectief is de aard van zijn bezorgdheid opmerkelijk. Volgens Langeveld hebben meisjes toegang tot jongensonderwijs gekregen. Ze waren welkom, ‘als ze maar als meisje geen eisen stelden aan de gastvrijheid’. Scholen bleven wat betreft curriculum en didactiek op jongens ingesteld, ook al werden meisjes toegelaten. Bijna zeventig jaar later wordt scholen exact het omgekeerde verweten. De schoolloopbanen van jongens verlopen inmiddels ongunstiger dan die van meisjes, en de oorzaak daarvoor wordt onder andere gezocht in onderwijsvormen die geschikter zijn voor meisjes dan voor jongens. Het artikel van Langeveld illustreert mooi hoe nuttig het is af en toe terug te kijken in de tijd. Terugkijkend kunnen we ons verbazen, zowel over wat een gerespecteerd pedagoog anno 1946 allemaal vanzelfsprekend vond, als over de actualiteit van sommige van zijn standpunten. Dat kan helpen kritisch te kijken naar wat nu vanzelf lijkt te spreken: moet er in dit onderwijs meer rekening gehouden worden met jongens?

54 Studierendement bij het hoger onderwijs. Herdruk 1959
A.D. De Groot
De onderwijsstatistieken van het C.B.S. vormen voor de liefhebber altijd al interessante lectuur en deze nieuwste publicatie verdient speciale aandacht. Doordat men ditmaal niet alleen de reeds voor de oorlog ge•ntroduceerde methode van de generatiestatistiek heeft toegepast – waarbij dus een gehele generatie van studenten over een aantal jaren wordt gevolgd – maar ook de studieresultaten heeft kunnen different•‘ren naar een aantal factoren, die daarop van invloed zijn, zoals sexe, vooropleiding, milieu, leeftijd van aankomst en eindexamencijfers, kon een aantal bijzonder belangwekkende resultaten worden bereikt.

59 De vooruitziende blik van de Groot
E.P.W.A. Jansen & A.F.M. Nieuwenhuis
A.D. de Groot, internationaal bekend als ŽŽn van de grondleggers van het expertiseonderzoek met ‘Het denken van de schaker’, ŽŽn van de founding fathers van het Cito en schrijver van het handboek Methodologie, waarin het belang van de empirische cyclus wordt ge•ntroduceerd, beschouwt in het artikel uit 1959 de rendementen bij het hoger onderwijs op basis van statistieken gepubliceerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek. Hoger Onderwijs in die jaren bestaat uit de universiteiten en technische hogescholen; de hogere beroepsopleidingen zijn nog georganiseerd in (kleine) speciale scholen. In dit artikel geen theorie, hypothesen of toetsing, maar een droge analyse van de cijfers, waarbij hij een aantal kanttekeningen plaatst bij de interpretatie van de cijfers en een aantal indringende vragen stelt. Hij eindigt het artikel met de constatering dat er een dalende lijn te zien is in de rendementen en dat deze dalende lijn bevorderd zal worden, indien meer studenten gaan studeren in het hoger onderwijs. Een vooruitziende blik?

62 Problemen bij systeemveranderingen in het onderwijs. Herdruk 1966.
Prof. Dr. L. Van Gelder
Tussen de historisch gegroeide structurele vormgeving van het onderwijs en de nieuwe eisen, die op grond van pedagogische en niet-pedagogische motieven aan het onderwijs gesteld worden, bestaan dusdanige verschillen, dat alleen een systematische, de totale structuur en inhoud omvattende vernieuwing een oplossing kan bieden.

69 Onderwijsvernieuwing tussen droom en daad
G.W. Meijnen
Van Gelder schreef het atikel ‘Problemen bij systeemveranderingen in het onderwijs’ in 1965 als hoogleraar pedagogiek aan de Rijksuniversiteit Groningen. Systeemdenken was hoogleraren pedagogiek niet eigen. Ge•nstitutionaliseerde onderwijskunde in de vorm van leerstoelen, vakgroepen, congressen en tijdschriften bestond ook nog niet. Bovendien vervulde Van Gelder als drijvende kracht achter de Nederlandse Onderwijzers Vereniging (NOV) ook een activistische rol. Onderwijsvernieuwing zowel op didactisch, organisatorisch als systeemniveau was zijn passie. Als overtuigd empiricus koos hij, als een van de weinigen onder de pedagogen, voor een experimentele aanpak. Diverse vernieuwingsprojecten werden destijds door hem geleid en geadviseerd. In deze korte bijdrage zullen we nagaan in hoeverre de idee‘n van Van Gelder, zoals verwoord in het voorgaande artikel, realiteit zijn geworden.

74 Inhoud jaargang

76 Redactionele medewerkers