Pedagogiek — Jrg. 34 (december 2014) Nr. 3

169  25 jaar kinderrechten: een terugblik en vooruitblik
Bruno Vanobbergen, Angelo Van Gorp, Lieve Bradt
“Voor en boven alle dingen moet men voor het kind proclameren het recht om te denken, om zich vrij uit te spreken, om te twijfelen, om zijn eigen mening te hebben en ook om in verzet te komen. Dat moet het wetboek van de rechten van het kind zijn” (Nieuwenhuis, 1899). Het is 1899 en Ferdinand Domela Nieuwenhuis (1846-1919), een Nederlands politicus en sociaalanarchist, spreekt tijdens een voordracht in Parijs deze woorden uit. Nieuwenhuis koppelt zijn pleidooi voor de rechten van het kind heel expliciet aan het belang van een libertaire opvoeding.

177  Van kinderwetgeving naar kinderrechten: over de verbinding tussen recht en opvoeding
Maria Bouverne-De Bie, Karel De Vos, Lieve Bradt
In deze bijdrage stellen we de vraag hoe kinderrechten zich verhouden tot het sociaal opvoedingsproject zoals hieraan werd vorm gegeven door de kinderwetgeving. Sociale opvoeding houdt in dat opvoeding niet enkel gezien wordt als de opvoeding van het kind tot volwassene; het gaat ook om de opvoeding van het kind tot burger en om de verandering van de samenleving via de opvoeding. Een kritiek op de sociale opvoeding als maatschappelijk project is de insluiting van kinderen en jongeren in een geïsoleerd en eigen jeugdland. We stellen de vraag of het streven naar kinderrechten een antwoord biedt op deze kritiek. Gepleit wordt voor een benadering van kinderrechten als een toetssteen voor een radicalisering en herdefiniëring van de sociale opvoeding.

191  100 jaar leerplicht in België: en nu de kleuters?
Katrien Van Laere, Michel VandenBroeck
Honderd jaar na de invoering van de leerplicht discussiëren Belgische en Vlaamse beleidsmakers nog steeds over de aanvang van die leerplicht. Netals in de jaren 1960 en 1970 wensen sommige beleidsmakers de leerplichtte verlagen om gelijke kansen aan elk kind te bieden. Met kan echter zichafvragen waarom meer onderwijs de oplossing zou zijn, indien we vaststellendat het onderwijssysteem de ongelijkheid van kansen reproduceert. We schetsen een historisch overzicht van deze discussie en vanuit die analyseplaatsen we een kritische kanttekening bij de manier waarop het IVRK hetrecht op leren vertaalt in een schoolplicht. We zien immers een spanningtussen het recht op leren (artikel 28) en het recht op zorg, welbevinden enhet belang van het kind, maar ook met het respect voor de visie van ouders(artikel 5).

209  Harry Potter zonder toverstaf verliest zijn magie – over de rechten van uit huis geplaatste kinderen
Kartica van der Zon
Kinderen die niet bij hun eigen ouders kunnen opgroeien hebben recht opbijzondere bescherming en bijstand, zo is bepaald in het Verdrag inzakede Rechten van het Kind. Wat deze bijzondere bescherming en bijstandprecies inhoudt, is lange tijd niet duidelijk geweest. De laatste jaren is daarverandering in gekomen. Dit artikel biedt allereerst een staalkaart van deinvulling van het begrip bijzondere bescherming en bijstand in internationaaljuridische documenten. Daarna wordt betoogd dat een concretiseringvan de verplichtingen van Staten ten aanzien van kinderen in alternatievezorg weliswaar nuttig is, maar slechts betekenis krijgt wanneer kinderenook daadwerkelijk de mogelijkheid hebben om hun recht af te dwingen.Het artikel sluit af met de aanknopingspunten die het internationale rechtbiedt om de rechtstoegang voor kinderen in alternatieve zorg te verbeteren.

222 De visie van het Kinderrechtencomité op hoe het belang van het kind onderzocht en vastgesteld moet worden; een uitwerking voor zaken betreffende kindermishandeling en verwaarlozing
Margrite Kalverboer
Dit jaar viert het Kinderrechtenverdrag van de Verenigde Naties zijn 25e verjaardag. Eén van de sleutelbepaling van het verdrag is artikel 3 lid 1. Dit artikel heeft als strekking dat de belangen van het kind een eerste overweging moeten zijn bij alle besluiten waarmee het kind te maken kan krijgen. Als het vermoeden bestaat dat het kind wordt verwaarloosd of mishandeld, is een van de eerste vragen of de veiligheid van het kind ’thuis’ beschermd kan worden of dat het kind in een alternatieve vorm van opvang moet worden geplaatst om de veiligheid en diens ontwikkeling te beschermen. Deze bijdrage presenteert een multidisciplinaire pedagogische-juridische methodiek die gebruikt kan worden een dergelijke vraag te onderzoeken en een besluit te nemen waarbij het belang van het kind werkelijk eerste overweging is. Hierbij worden juridische en pedagogische inzichten gecombineerd en kinderrechten in beschouwing worden genomen. De methodiek kan worden uitgewerkt voor alle soorten besluiten en alle rechtsgebieden in de Nederlandse, Europese en mondiale context die de belangen van het kind raken.

237 Recht op onderwijs voor minderjarige vluchtelingen: wat als de toekomst niet in België ligt?
Floor Verhaeghe, Ilse Derluyn
Alle minderjarigen die in België verblijven hebben recht op onderwijs. Eenanalyse van beleidsdocumenten laat zien dat de jongeren ondersteunen omeen toekomst op te bouwen in België een van de belangrijkste doelen is diede overheid stelt aan het onderwijs aan jonge vluchtelingen. Ook in onderzoekmet jonge vluchtelingen wordt duidelijk dat de kansen die onderwijs kan bieden om een beter leven en een betere toekomst op te bouwen voor hen het belangrijkste aspect zijn van het recht op onderwijs. Dit staat in schril contrast met het grote aantal jongeren dat de beslissing krijgt dat ze niet in België kunnen blijven en hun toekomst elders zullen moeten uitbouwen. Het spanningsveld tussen het recht op onderwijs enerzijds en het huidige migratiebeleid anderzijds, dat teruggebracht kan worden naar het spanningsveld kind versus vluchteling, is over het algemeen onderhevig aan ‘silencing’ in het onderwijsbeleid. ‘Silencing’ van dit spanningsveld plaatst jonge vluchtelingen en hun leerkrachten in een ‘limbo’: enerzijds worden ze aangemoedigd om een toekomst in België op te bouwen, anderzijds zal die toekomst voor velen van hen niet in België liggen. We stellen hier dat de bevoegde overheidsinstanties dit spanningsveld expliciet moeten erkennen in hun onderwijsbeleid, omdat dit het emotionele welzijn van de kinderen kan versterken en de mogelijkheden van leerkrachten om hen te ondersteunen kan vergroten.